Een aantal jaren geleden raakte ik meer en meer onder de indruk van de Hebreeuwse taal. In veel kringen is men vanwege de liefde voor Israël de Hebreeuwse taal steeds meer gaan benadrukken, dat gold ook voor mij. Nagenoeg het hele oude testament is oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven en door verder in te zoomen op de rijkdom van de Hebreeuwse taal lijkt het mogelijk om door te dringen naar diepere lagen, verborgenheden in de tekst die de oppervlakkige lezer zou missen. Hoe zou dit dan werken?
Elk woord in de Hebreeuwse taal is gebaseerd op een basiswoord meestal bestaande uit twee of drie letters. De tweeëntwintig letters zouden dan elk een aparte betekenis hebben die , als je die samen brengt een diepere en meer accurate betekenis van het woord zouden geven.
Om een voorbeeld te geven gaan we naar hetzelfde woord wat we in het vorige blog mee geconfronteerd werden namelijk “in het begin” in het Hebreeuws בראשׁי(Bereshith), het eerste woord in de bijbel. Dit woord is een samenstel van vijf letters, namelijk: ב(Beth), deze letter staat voor “huis” en wordt ook gebruikt als voorzetsel “in”, en dat geldt ook hier in dit verband. De volgende letter is ר(Resh), deze letter vertegenwoordigd “het hoofd van een man”. De derde letter is de letter א(Aleph), dit is het plaatje van een “ossenkop”, dit vertegenwoordigt kracht. De vierde letter is שׁ(Shin), deze letter heeft de betekenis van “scherp” of “doordringend”. De laatste is de letter י(Yod), dit vertegenwoordigt een “arm” of “hand”. Door de verschillende betekenissen van de woorden die door de letters worden vertegenwoordigd te combineren zou op deze manier veel meer uit de tekst gehaald kunnen worden, dan dat er oppervlakkig gezien lijkt te staan. Ik laat het hier bij en ga hier verder niet specifiek op in.
Lange tijd ben ik onder de indruk geweest en ben ik op zoek geweest naar deze diepere betekenis, omdat ik meende daardoor dieper inzicht te krijgen in de oorspronkelijke tekst en haar betekenis. Wel heeft dit diep van binnen aan mij geknaagd alsof ik door had dat ik door het zoeken naar het hogere de simpele tekst over het hoofd begon te zien. Het breekpunt kwam bij mij toen ik een keer mijn kleindochter hoorde lezen, ze was toen net begonnen met leren lezen, ze las toen voor zoals dat op school wordt geleerd, als voorbeeld gebruik ik het woordje bal: ‘b’, ‘a’, ‘l’: ‘bal’. Elke letter vertegenwoordigt een speciale klank, door deze klanken te combineren was zij in staat om het woord te lezen en te begrijpen, zelfs op zeer jeugdige leeftijd. Op dat moment kwam voor mij de vraag op of ditzelfde wellicht ook zou gelden voor het oude Hebreeuws en dat het zoeken naar meer niet een verrijking zou inhouden, maar juist een verarming door iets te zoeken wat nooit bedoeld is, een soort luchtkasteel dus. Ik realiseerde me dat we in de bijbel worden opgeroepen om te schrijven:
4Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! 5Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, 9en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten. (Deuteronomium 6:4-9)
Iedere Israëliet was kennelijk in staat om te schrijven, anders zou de opdracht om op de deurpost te schrijven onzinnig zijn geweest. Wat ik later steeds meer begon te zien was dat elke letter in het Hebreeuws niets meer te betekenen heeft dan de klank die hij vertegenwoordigt. Er zijn aanwijzingen dat de oudste Hebreeuwse inscripties die gevonden zijn in de mijnen van de Sinaï-woestijn, geschreven door mijnwerkers, dateren uit de tijd van Jozef in Egypte. Dit zou kunnen inhouden dat dit zogenaamde klank-alfabet aan de wereld gegeven is om iedereen al van jongs af aan in staat te stellen om te lezen en te schrijven, zodat de bijbel, het woord van God voor iedereen in Israël beschikbaar was. De letters van ons alfabet zijn te herleiden naar het oorspronkelijke zogenaamde Paleo-Hebreeuws en zijn via het Grieks in onze taal terecht gekomen. Een voorbeeld is de oude Hebreeuwse letter א (Aleph) in het Paleo-Hebreeuws weergegeven als ’𐤀’, er is niet veel fantasie nodig om onze letter ‘A’ daarin te herkennen, en dat geldt voor alle letters en cijfers. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het oude Hebreeuwse klank-alfabet door God gegeven is aan de Israëlieten in de tijd van Jozef en dat Mozes en het volk Israël in staat waren om te lezen en te schrijven en dat wij mee mogen liften op deze van God gegeven genade die ook ons in staat stelt om al op zeer jonge leeftijd de bijbel te kunnen lezen. Trouwens in het begin, toen door de boekdrukkunst de bijbel beschikbaar kwam voor iedereen, werd op de scholen de bijbel gebruikt om kinderen lezen en schrijven bij te brengen.
Persoonlijk ben ik dan ook tot de conclusie gekomen dat de meest simpele voor de hand liggende betekenis meestal de juiste is. Als we terug gaan naar het begin dan is mijn conclusie dat het woord בראשׁי(Bereshith),gewoon de betekenis heeft die onze vertalingen er aan geven namelijk “in den beginne” of “in het begin” en dat het zoeken naar al die dingen waar de Joodse cultuur met hun ‘Pardes’ en ‘Gematria’ prat op gaat en wat ook in zogenaamde Messiaanse kringen erg gewaardeerd wordt, te begrijpen is als een soort afgoderij die zijn oorsprong vindt in Joods gedachtegoed, namelijk dat zij, in tegenstelling tot de overige volken in de wereld, het uitverkoren volk zijn en dat hun taal de enige zou zijn die het woord van God goed zou kunnen weergeven.
Ik wil afsluiten met de constatering dat hiermee nog lang niet alles is gezegd over hoe de bijbel geïnterpreteerd moet worden, in een volgend blog ga ik hier verder op in. Ik wil afsluiten met een kernachtige tekst in de bijbel die aangeeft hoe belangrijk de bijbel echt is om te weten wat belangrijk is en welke weg we te gaan hebben:
105Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. (Psalm 119:105)
De laatste jaren zien we meer en meer de gedachte opkomen dat we de bijbel moeten uitleggen vanuit een Joods raamwerk. De reden die daarvoor wordt aangegeven is het feit dat de bijbel geschreven is door Joden en dus alleen begrepen zou kunnen worden vanuit een Joodse mind-set. Als wij met een westerse manier van denken de bijbel benaderen dan zouden wij de bijbel tekort doen. Voor dat ik inga op deze stelling wil eerst een voorbeeld geven van Joodse interpretatie van de tekst van de bijbel. De methode die door hen wordt gebruikt wordt weergegeven door de term PARDES die een afgekorte weeggave is van de verschillende niveaus van uitleg die van toepassing zijn op elke tekst. Eerst maar even een uitleg van het begrip:
PaRDeS
Peshat (פְּשָׁט) – “oppervlakte” (“recht”) of de letterlijke (directe) betekenis.
Remez (רֶמֶז) – “hints” of de diepe (allegorische: verborgen of symbolische) betekenis die verder gaat dan alleen de letterlijke betekenis.
Derash (דְּרַשׁ) – van het Hebreeuwse darash: “navragen” (“zoeken”) – de vergelijkende (midrashische) betekenis, zoals gegeven door soortgelijke gebeurtenissen.
Sod (סוֹד) – “geheim” (“mysterie”) of de esoterische/mystieke betekenis, zoals gegeven door inspiratie of openbaring.
Op de website CHABAD.ORG is deze methode nader uitgelegd en geïllustreerd aan de hand van Genesis 1:1.
De Thora is G-ds wijsheid. Het intellect staat van nature verschillende manieren van begrip toe – en vereist deze zelfs – en dat geldt des te meer wanneer het gaat om de oneindige wijsheid van de Oneindige G-d.
Onze wijzen leren ons dat de Thora op vier verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd: peshat, remez, drush en sod.
1) Peshat is de eenvoudige interpretatie van de Thora. Wanneer het vers zegt (Genesis 1:1) dat “In het begin schiep God de hemel en de aarde”, betekent dit precies wat het lijkt te betekenen, in zeer letterlijke zin.
Binnen deze vier methoden om de Thora te begrijpen, bestaan er talloze mogelijke manieren van begrip
2) Remez zijn de verschillende hints en toespelingen die in de Thora voorkomen. Een van de methoden die de Thora gebruikt om deze hints te geven, is gematria, de numerieke waarde van de letters van het Hebreeuwse alfabet. De gematria van “Bereshit bara” (“In het begin schiep Hij”) is bijvoorbeeld hetzelfde als “b’Rosh Hashanah nivra ha’olam” (op Rosj Hasjana werd de wereld geschapen)! Bijvoorbeeld de getalswaarde van Bereshit bara en b’Rosh Hashanah nivra zijn beide 1116.
3) Drush (of Midrash) geeft uitleg over de diepere betekenis van het vers. Het Hebreeuwse woord voor “In het begin” is bereshit. De midrash vertelt ons dat dit woord in twee woorden kan worden opgesplitst: b reshit. De Thora vertelt ons dat de wereld werd geschapen voor twee (“b”) “reshit”s (“eerste”) – de Joden en de Thora. Hoewel dit niet de eenvoudige interpretatie van het woord is, is het niettemin een ware en geldige manier om de Thora te begrijpen.
4) Sod (geheim) is het esoterische, mystieke aspect van de Thora. De Tikkunei Zohar (een boek dat zeventig (!) verschillende esoterische verklaringen geeft voor het woord bereshit) legt uit dat het woord bereshit ook kan worden opgesplitst in “bara shis” (geschapen [met] zes). Dit komt omdat de wereld werd geschapen door middel van Gods zes emotionele krachten: vriendelijkheid, strengheid, schoonheid, overwinning, pracht en fundament.
Binnen deze vier methoden om de Thora te begrijpen, bestaan er talloze mogelijke manieren van begrip. Bijvoorbeeld: er zijn veel verschillende manieren om de Thora te begrijpen volgens Peshat. Daarom zijn er veel Thora-commentatoren die zich concentreren op Peshat – Rashi, Ibn Ezra, Rashbam en nog vele anderen – en zij zullen het vaak (het lijkt erop dat dit vaker wel dan niet het geval is…) oneens zijn over de letterlijke betekenis van een vers. Volgens de kabbalistische leer zijn er zelfs 600.000 manieren om Peshat te begrijpen, 600.000 manieren om Remez te begrijpen, 600.000 manieren om Drush te begrijpen en 600.000 manieren om Sod te begrijpen!
Elk inzicht in de Thora is aanvaardbaar, zolang het (logisch is en) niet in tegenspraak is met onze fundamentele overtuigingen.
Onze wijzen zeggen ons dat “elk chiddush (nieuw idee) dat een gerenommeerde leerling ooit zal bedenken, al door Mozes op de Sinaï is gegeven.” Mozes heeft dit specifieke idee, dat de rabbijn die duizenden jaren later leefde zojuist heeft bedacht, misschien niet gehoord, maar de basis van dit idee was al door de Sinaï gegeven.
G‑d gaf ons de middelen om ons te verdiepen in de woorden van de Thora en de goddelijke wijsheid die daarin verborgen ligt te onthullen.
Als het echter om de halacha gaat, is er maar één waarheid. Want terwijl de Thora Gods wijsheid is, die, zoals hierboven vermeld, verschillende meningen toestaat, is de halacha (niet het intellect, maar) Gods wil. En wil is absoluut en laat geen twee manieren toe om naar dingen te kijken.
Als je deze methode noodzakelijk vindt dan is te begrijpen dat de tekst van de bijbel uitsluitend mag worden uitgelegd door geestelijke deskundigen, de bijbel noemt hen schriftgeleerden. Op basis van bovenstaande heeft elke tekst op z’n minst 70 verschillende manieren van uitleg die allemaal valide zouden zijn. Binnen het Jodendom mag de Torah dan ook uitsluitend bestudeerd worden onder toezicht van de Rabbijnen, het bestuderen van de Torah zonder dit toezicht zou dan ook strafbaar zijn. Ik ben de gedachte al een keer tegen gekomen dat de Torah gezien zou moeten worden als een soort code die alleen door deskundigen te ontrafelen zou zijn. Trouwens, vergelijkbaar gedachtegoed is terug te vinden in de Rooms Katholieke traditie die het bestuderen van de bijbel uitsluitend wil overlaten aan de ingewijde geestelijkheid, in de tijd van de middeleeuwen was het bezitten van een bijbel zelfs strafbaar, je kon ervoor op de brandstapel gezet worden.
We weten vanuit het nieuwe testament dat Jezus met zijn onderwijs voortdurend in conflict kwam met de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus, en dat geldt natuurlijk ook voor de discipelen, hebben geen opleiding genoten op een van de opleidingsscholen, er werd dan ook denigrerend over hen gedaan.
45De dienaars dan gingen naar de overpriesters en Farizeeën en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet medegebracht? 46De dienaars nu antwoordden hun: Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!47De Farizeeën dan antwoordden hun: Zijt gij soms ook verleid? 48Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën? 49Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij! (Johannes 7:45-49)
In de ogen van de overpriesters en de Farizeeën was het gewone volk vervloekt en niet in staat om geestelijke zaken werkelijk te begrijpen. Jezus tapt echter uit een ander vaatje:
25Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. 26Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. (Mattheus 11:25-26)
Paulus heeft hetzelfde gedachtegoed omarmd als hij uitleg geeft in de brief aan de Korintiërs:
18Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. 19Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven. (1 Korintiërs 1:18-21)
De zogenaamde wijzen en verstandigen, en daar vallen ook de Joodse leiders onder en niet alleen de filosofen van die tijd, zijn volgens Paulus niet in staat om het evangelie te begrijpen. Het begrijpen van het evangelie, het begrijpen van de bijbel is voorbehouden aan eenvoudige mensen, die geloven. Dit was ook een van de aspecten die van belang waren tijdens de reformatie, de bijbel kwam vanwege de vertaling in onze eigen talen samen met de ontwikkeling van de boekdrukkunst beschikbaar voor iedereen.
Jezus beschuldigt de schriftgeleerden en de Farizeeën van het verafgoden van de schriften:
39Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, 40en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben. (Johannes 5:39-40)
Hij verwijt hen dat er leven te vinden zou zijn in de schriften, echter wat zij niet begrijpen is dat niet de schriften maar Jezus eeuwig leven in zich bergt:
3Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. (Johannes 17:3)
Een Jood, hoe diep hij ook in de schriften is, heeft zonder Jezus geen deel aan het eeuwige leven, en als wij als christenen menen dat wij te rade moeten gaan bij de Joden en hun manier van schriftuitleg dan verliezen wij langzaam maar zeker het zuivere perspectief op Jezus en de manier waarop Jezus en de apostelen met de inhoud en de tekst omgaan. Ik wil eindigen met de woorden van Petrus, hij waarschuwt de mensen voor het omarmen van sprookjes, die een eigenmachtige uitleg van de bijbel met zich mee brengen, en dat geldt niet alleen voor ons en ons westerse perspectief, maar ook voor het Joodse perspectief.
16Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. 17Want Hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. 18En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren. 19En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. 20Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat;21want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken. (2 Petrus 1:16-21)
In een volgend blog wil ik ingaan op de bijbeluitleg zoals ik denk dat die zou moeten zijn.
De laatste jaren worden we in christelijke kring om de haverklap geconfronteerd met de suggestie dat we terug zouden moeten naar een Joodse manier van kijken met betrekking tot de interpretatie van de bijbel. In de beleving van de voorstanders van dit standpunt hebben wij de bijbel te danken aan de Joden, wij heidenen zouden derhalve niet goed in staat zijn om de bijbel op de juiste manier uit te leggen. Ik heb al een keer de uitspraak gehoord:
”Als we nu eerst de uitleg van de door Joden geschreven teksten eens aan de Joden overlaten, dan kunnen we daarna de teksten die geschreven zijn door heidenen dan maar door hen laten uitleggen”.
We weten natuurlijk dat de bijbel, zo niet helemaal dan wel voor het overgrote deel te danken is aan Israëlieten of Joden, het evangelie van Lucas zou eventueel een uitzondering kunnen zijn omdat hij gezien wordt als een niet-jood, echter zijn er ook serieuze argumenten voor de suggestie dat ook Lucas een Jood was, in het laatste geval is dan het hele nieuwe testament geschreven door Joden. Het gevolg van deze redenatie is dat velen te rade gaan bij de Rabbijnse Joden om door hen de schriften uitgelegd te krijgen. De vraag die mij bezig houdt is of deze gang van zaken wel klopt en of we zo wel op het juiste spoor zijn aanbeland.
Eerst maar even de bijbel zelf, wat zegt de bijbel hierover:
1Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. (Romeinen 3:1-2)
4immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: 5hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. (Romeinen 9:4-5)
De beide in deze teksten benoemde aspecten zijn feitelijk, namelijk dat de Joden de zorg hadden voor de woorden van God en dat uit hen de Christus is voortgekomen. Zonder de Joden zouden we geen Schriften hebben, in deze context wordt in eerste instantie het oude testament bedoeld, en zou ook de Messias niet geboren zijn. Kennelijk hebben we veel aan hen te danken, in die zin klopt het bovengenoemde argument. Echter wat we ons vaak niet realiseren is dat het huidige Jodendom niet gezien kan worden als een voortzetting van het Israël van het oude testament. Al in de tijd van de koningen heeft God afscheid genomen van het huis van Israël.
8Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; (Jeremia 3:8)
Het huis van Israël was zover gegaan in haar afgoderij dat God besloten heeft een einde te maken aan het (huwelijks)verbond met het huis van Israël. Hoewel het huis van Juda het in geen enkel opzicht beter deed, lijkt het erop dat God in die tijd van hen nog geen afscheid heeft genomen. Het huis van Israël is tot op de dag van vandaag niet meer teruggekeerd terwijl het huis van Juda, de Joden, na de ballingschap nog 490 jaar respijt heeft gekregen en dat God pas afscheid van hen heeft genomen in het jaar 70 AD toen Jeruzalem en haar tempel met de grond gelijk zijn gemaakt vanwege het feit dat zij in meerderheid Jezus hebben afgewezen als Messias. Zowel Johannes de Doper in Mattheus 3 alsook Jezus in Lucas 19 hebben dit aangekondigd:
7Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; 9en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. 10Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. (Mattheus 3:7-10)
41En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 43Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag. (Lucas 19:41-44)
Alleen de christenen onder de Joden zijn in die tijd, tijdens de verwoesting van Jeruzalem door God in veiligheid gebracht en definitief onderdeel gemaakt van het nieuwe verbond. Het overgrote deel van de Joden is omgekomen of in gevangenschap gevoerd, slecht een zeer klein deel van de Farizeeën is in staat gebleken om het oordeel te ontlopen. Rond het jaar 90 AD is deze groep bij elkaar gaan zitten om zich te bezinnen op de nieuw ontstane situatie. Jeruzalem bestaat niet meer, er is geen tempel meer en geen priesterdienst en hoe nu verder? Tijdens deze bijeenkomt is de basis gelegd voor wat nu het Rabbijnse Jodendom is. Er is in die tijd een synagogale liturgie ontstaan die de tempel en de priesterdienst moest vervangen totdat ooit de tempel zou zijn herbouwd en het priesterschap hersteld. De vraag is gerechtvaardigd of deze handelwijze rechtmatig is.
Op verschillende plaatsen in de wet wordt gerefereerd aan de plaats waar God zijn Naam doet wonen:
5Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee. 7Daar zult gij eten voor het aangezicht van de HERE, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft. (Deuteronomium 15:5-7)
Het moge duidelijk zijn dat dit de plaats is waar God woont te midden van zijn volk, namelijk in eerste instantie de tabernakel van Mozes en later de tempel in Jeruzalem. Als Israël in ballingschap gevoerd wordt, wordt hen onder andere verweten dat zij de zonde van Jerobeam van Nebat hadden omarmd (zie hiervoor 1 Koningen 11-13 en 2 Koningen 17:21). Jerobeam had voor de Israëlieten een eredienst ingesteld los van de tempel in Jeruzalem, en dus ook los van de aanwezigheid van God, iets wat op grond van bovenstaande tekst een ernstige overtreding van de wet inhield. Het lijkt erop dat de Farizeeën zich door het optuigen van de synagogale liturgie schuldig maakten aan een vergelijkbare overtreding. Was er dan geen tempel meer of konden zij de ware tempel niet zien? Jezus verklaart zijn lichaam tot tempel en Paulus verklaart de gemeente tot huis van God.
19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. (Johannes 2:19-21)
15Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid. (1 Timotheüs 3:15)
Voor ons allemaal, dus ook voor de Joden, is het voor een zuivere uitvoering van onze godsdienst van belang dat wij zoeken naar de plaats waar God zijn Naam doet wonen en dat is Jezus Christus, de ware tempel en Zijn gemeente als huis van God en niet de Joodse synagoge. De Joodse godsdienst is in deze zin fundamenteel in overtreding van de wet. Het optuigen van de synagogale praktijk is niets anders dan rebellie tegen God en Zijn geboden door te weigeren Jezus te aanvaarden als de plaats van aanbidding.
21Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden… 23maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid. (Johannes 4:21; 23-24)
Hoewel ook het nieuwe testament te danken is aan Joden die het geschreven hebben, dan nog is het geschreven door Joden die deze nieuwtestamentische werkelijkheid kenden en hadden omarmd door Jezus Christus te aanvaarden. Dat betekent dat wij voor een juiste interpretatie van de bijbel niet bij de Joodse rabbijnen moeten zijn maar bij de Joodse apostelen die ons het nieuwe testament gegeven hebben. Waarheden die niet begrepen worden door de Rabbijnse Joden, zoals wie mag gelden als nageslacht van Abraham en wie de erfgenamen zijn van de beloften die God gegeven heeft aan de vaderen, Abraham, Isaak en Jacob, worden door Jezus en de Joodse apostelen van toepassing verklaard op Christus en zijn gemeente. Even een paar voorbeelden:
37Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen plaats vindt. 38Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw vader gehoord hebt. 39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. 41Gij doet de werken van uw vader. 44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. (Johannes 8:37-41; 44)
16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus… 26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen. (Galaten 3:16; 26-29)
In beide situaties, zowel door Jezus als door Paulus, wordt er gesproken over het nageslacht van Abraham. Jezus verwijt de Joden dat, hoewel zij fysiek afstammen van Abraham, zij toch een andere vader hebben, namelijk de duivel, en Paulus spreekt over Christus en zijn gemeente als nageslacht van Abraham en als erfgenamen van de aan Abraham gegeven beloften. Petrus doet hetzelfde door de aan Israël gegeven belofte uit Exodus 19:4-6 van toepassing te verklaren op de gemeente, die in die tijd al voor een aanzienlijk deel uit niet-joden bestond:
7U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, 8voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. 9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen. (1 Petrus 2:7-10)
De gemeente wordt hier betiteld als volk van God, de christenen worden betiteld als priester en koning, heidenen die ooit niet behoorden tot het volk worden hier ondubbelzinnig tot heilige natie verklaard. Paulus noemt dit feit, namelijk dat het heil naar de volkeren is gegaan, een geheimenis.
6(dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, (Efeziërs 3:6)
1Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. (Hebreeën 1:1-2)
Jezus, de Zoon van God, is dus de Erfgenaam en de gemeente, deels bestaand uit heidenen, zijn mede-erfgenaam met Christus. Er zijn nog veel meer voorbeelden aan te geven die deze waarheid duidelijk maken. Het Rabbijnse Jodendom wijst deze realiteit volledig af en kan derhalve niet dienen als bron voor waarheid en dus ook niet als basis voor schriftuitleg. Dit toch doen plaatst ons in een omgeving waarin we blootgesteld worden aan misleiding.
7Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. 8Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. 9Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. 10Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. 11Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken. (2 Johannes 1:7-11)
In overeenstemming met wat Johannes hier stelt is het ons niet toegestaan om bij mensen te rade te gaan die de leer van Christus niet omarmen, we mogen hen in hun hoedanigheid als leraar niet eens ontvangen in ons huis. Dat is van toepassing op alle soorten lering die Jezus niet belijden als Zoon van God, naast veel ander onderwijs heeft dit ook betrekking op het Rabbijnse Jodendom. Niet doen dus!
In een later blog wil ik dieper ingaan op de Joodse manier van uitleg van de bijbel, maar ik wil het hier eerst bij laten.
Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen (Lucas 2:14HSV)
De kerstdagen zijn weer achter de rug, we hebben weer genoten van de sfeer rondom lichtjes en groen, we hebben het nodige vuurwerk weer ontstoken, we staan nu dus aan het begin van een nieuw jaar. Traditioneel is dit een periode waarin vrede centraal staat. Zelfs tijdens de Vietnamoorlog werd er altijd een tijdelijk staakt het vuren afgekondigd om de gedachte aan vrede te benadrukken. Als ik vervolgens mag geloven wat Mark Rutte in een toespraak in Duitsland te berde bracht dan duidt hij op een aanstaande oorlog die de beide oorlogen uit de vorige eeuw zou overtreffen en dit komende jaar zou wel eens het begin daarvan kunnen zijn. We worden uitgedaagd om sneuvelbereid te zijn, alles lijkt erop gericht te zijn om ons klaar te stomen voor deze oorlog en ons daar achter te scharen. Vrede lijkt in deze retoriek ver te zoeken en dat allemaal omdat Poetin van Rusland uit zou zijn op oorlog met het westen. Er worden miljarden vrijgemaakt voor de ontwikkeling en opbouw van wapentuig, zogenaamd om ons klaar te stomen voor de aanstaande oorlog. Ook op andere plaatsen in de wereld is sprake van dreiging en oorlog met alle potentiële vernietiging die oorlog met zich mee brengt. De officiële cijfers voor het aantal doden in Gaza vanaf 7 oktober 2023 is rond de 75.000 doden, het merendeel daarvan is kinderen, ik ben ook deskundigen tegen gekomen die het aantal doden inschatten op 680.000, 380.000 daarvan zouden kinderen zijn. In Soedan zou sprake zijn van genocide, de VS stuurt ondertussen aan op een oorlog met Venezuela, zogenaamd vanwege de aanvoer van drugs dat zou plaats vinden via dat land. Israël is inmiddels de oorlog aan het uitbreiden richting Syrië en Libanon.
Hoe horen wij als christenen hierin te staan? Jezus zegt in de Bergrede:
Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden. (Mattheus 5:9)
Is dit ook datgene wat wij nastreven, hoe stellen we ons op zowel politiek als binnen de kerk, is alles gericht op het voorkomen van oorlog en het tot stand brengen van vrede? Als het gaat om Oekraïne, dan hoor ik alleen maar oorlogstaal, als het gaat om Gaza dan wordt het aantal doden gerelativeerd en goedgepraat, Soedan en Venezuela lijkt bijna geen aandacht voor te zijn en dat geldt ook binnen de kerken. Als wij claimen dat we Jezus volgen, betekent dat dan ook dat we doorhebben dat deze Jezus de Vredevorst genoemd wordt? Als ook wij ons bedienen van oorlogsretoriek zijn wij dan nog getuigen van Jezus de Vredevorst? Als wij het aantal doden in Gaza en Soedan goedpraten of bagatelliseren hebben wij dan nog iets te getuigen naar mensen met een andere achtergrond zoals moslims, kunnen wij hen dan nog duidelijk maken dat God liefde is en dat Jezus van hen houdt en zijn leven ook voor hen heeft gegeven? Kunnen wij kijkend naar de bovengenoemde tekst nog beweren dat we kinderen van God zijn als wij wegkijken of instemmen met al dit geweld? Jezus geeft naar Pilatus aan dat het Koninkrijk van God van een andere orde is:
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier. (Johannes 18:36)
We kennen de verhalen van het oude testament, verhalen zoals Gideon die de vijand versloeg met 300 man. Ook staan er beloften in de bijbel die duiden op overwinning tegen de druk in:
De HERE zal uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u overleveren. Langs één enkele weg zullen zij tegen u optrekken, maar langs zeven wegen voor u vluchten. (Deuteronomium 28:7)
En dit is kennelijk van toepassing voor het fysieke Israël onder het oude verbond, als het Koninkrijk van deze wereld zou zijn geweest zou niemand ook maar een schijn van kans gemaakt hebben om Jezus en zijn discipelen te verslaan. Wij hebben echter deel gekregen aan dat andere Koninkrijk, dat niet van deze wereld is en daar gelden nou eenmaal andere normen, geestelijk principes. Wij zijn in navolging van Jezus gericht op vrede en op het welzijn van mensen. Jezus kwam om te redden, te genezen en te bevrijden, dat hoort ook onze grondhouding te zijn. Als wij onszelf christen noemen en ondertussen niet diep van binnen hierop betrokken, zijn we dan wel werkelijk volgelingen van Jezus. Instemmen met dood en verderf of zelfs maar wegkijken, net doen of er niets aan de hand is, is dat waar we voor geroepen zijn? Onszelf angst laten aan praten voor de boze Poetin en de gevaarlijke moslims is dat hoe wij in de wereld dienen te staan? Of getuigen wij van Jezus en zijn Koninkrijk, ook als wij ons uitspreken in politieke zin? Dit is zoals Munther Isaac (منذر اسحق), de Lutherse voorganger uit het door muren omgeven Bethlehem het verwoordde:
Kerst is geen westers verhaal, maar een Palestijns verhaal. “Deze kerst nodigen we de wereldwijde kerk – en in het bijzonder westerse christenen – uit om te onthouden waar het verhaal begon. Om te onthouden dat Bethlehem geen mythe is, maar een plaats waar nog steeds mensen wonen. Als de christelijke wereld de betekenis van Kerstmis wil eren, moet ze haar blik richten op Bethlehem – niet het Bethlehem uit onze verbeelding, maar het echte Bethlehem, een stad waarvan de inwoners vandaag de dag nog steeds schreeuwen om gerechtigheid, waardigheid en vrede.”
Durven wij ook in deze spiegel te kijken en te begrijpen dat onze getuigenis gaat over vrede, zonder onderscheid in etniciteit, gender of maatschappelijk status? De vrede van Christus is bestemd voor alle mensen, ook die mensen die wij geneigd zijn te zien als onze vijanden. Mijn hart huilt als ik zie hoe vele zichzelf christen noemende mensen hierin lijken te staan. Volgen wij Jezus nog?
…Gij zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet? …Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek? (Johannes 3:10 en 12)
Jezus is in gesprek met Nikodemus, een overste uit Israël, een lid van het toenmalige Sanhedrin in Jeruzalem. Deze Nikodemus was ’s nachts naar Jezus toegekomen tijdens het feest van de ongezuurde broden, nieuwsgierig om te horen waar deze Jezus voor zou staan. Er ontspint zich een gesprek over het Koninkrijk van God. Jezus benadrukt in dit gesprek eerst welke voorwaarden van toepassing zijn om er deel van uit te kunnen maken. Jezus praat over wedergeboorte, geboren zijn uit de Geest. Uit dit gesprek wordt vooral duidelijk dat Jezus en Nikodemus volledig langs elkaar heen praten, Nikodemus begrijpt niets van wat Jezus zegt, en Jezus verwijt hem dat ook. Hij, als leraar van Israël, zou deze dingen moeten begrijpen, maar het tegendeel blijkt waar te zijn. Jezus probeert in dit gesprek duidelijk te maken dat het Koninkrijk van God een geestelijke, hemelse realiteit is en geen aardse. Je moet bedenken dat de Joodse toekomstverwachting er op gericht was dat het oude Israël onder David en Salomo op zeker moment weer in ere zou worden hersteld en dat zou realiteit moeten worden als de Messias zou verschijnen. Het verwijt van Jezus is dat ze van het aardse al niets begrepen hebben en dat ze daardoor ook niet in staat zouden zijn om datgene waar Jezus over spreekt te kunnen begrijpen. Kennelijk begrijpen ze de functie van het Mozaïsche verbond en de daaraan gekoppelde tempeldienst, die deel uit maken van het aardse, niet echt. In het gedeelte dat erop volgt legt Jezus de verbinding tussen de slang in de woestijn in de tijd van Mozes en het doel waar Hij voor gekomen is, daarmee wil Hij duidelijk maken dat de affaire met de koperen slang een plaatje is dat vooruit wijst naar de toekomst. Op die manier wil Jezus duidelijk maken dat datgene wat Israël in het aardse heeft meegemaakt, en dat geldt ook voor alle zaken rondom de priesterdienst en de tempel, plaatjes zijn van iets veel groters wat de beperkingen van ons fysieke bestaan verre te buiten gaat. Alles wat betrekking heeft op het Koninkrijk van God en het Evangelie is zo veel groter dan wat zij, de Joden in hun tijd konden begrijpen. Paulus legt op diverse plaatsen uit wat het verschil is tussen waar het in het oude testament om draaide en alles waar het nieuwe verbond voor staat. Ik zoom even in op een passage uit de brief aan de Hebreeën die gericht was aan de Joodse Christenen van die tijd:
1De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, 2de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens. 3Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. 4Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er (hier reeds) zijn om volgens de wet de gaven te offeren. 5Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. 6Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust. (Hebreeën 8:1-6)
Wat Paulus hier probeert duidelijk te maken aan Joden die deel uitmaakten van het verbondsvolk, dat de werkelijkheid waar wij deel van uitmaken eerst en vooral geestelijk en hemels is en ook nog veel beter dan het Mozaïsche verbond. Paulus gebruikt termen als ‘schaduw’ en ‘afbeelding, deze zijn te vergelijken met een foto. Je kunt heel blij worden van een foto, maar werkelijk deel uitmaken van de omgeving die op de foto staat overtreft natuurlijk alles. De geestelijke werkelijkheid waar Paulus aan refereert is datgene waar het allemaal om draait.
Terug naar Nikodemus, hij verwachtte het herstel van de oude glorie van Jeruzalem en David als haar koning, het herstel van het oorspronkelijke Israël dus. Jezus echter spreekt verderop over alle mensen op aarde, de wereld, en het heil dat voor hen bestemd zou zijn als zij in Hem als eniggeboren Zoon zouden geloven. Joden waren gewend geraakt aan het idee dat een leven met God uitsluitend voor hen bestemd zou zijn en dat de rest van de mensheid er eigenlijk niet toe doet, iets wat Joden getuige diverse uitspraken in de Talmoed nog steeds geloven, zij zijn het exclusieve uitverkoren volk, zij vinden van zichzelf dat zij ook genetisch van een hogere orde zijn, zij denken bij uitstek in staat te zijn zich aan de wetten van God te houden, heidenen zouden niet beschikken over deze kwaliteiten. Wat deze Joden niet begrijpen is dat zij zich beperken tot het herstel van het aardse en dat zij geen zicht hebben op het veel grotere hemelse wat aan Jezus Christus verbonden is.
Veel christenen zijn vanwege het omarmen van zionistisch gedachtegoed hier ook terecht gekomen. De toekomstverwachting die eeuwenlang uitsluitend betrekking had op de realiteit van het zijn in Christus en alles wat dat impliceert, gecombineerd met de verwachte wederkomst van Jezus, dit vervangen door weer verwachtingvol te gaan letten op de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de huidige staat Israël betekent dat velen daardoor het oorspronkelijke, geestelijk c.q. hemelse perspectief kwijt raken. Hun perspectief van het nieuwe verbond wordt langzamerhand steeds kleiner, het besef wat het betekent om in Christus deel uit te maken van het hemelse raken ze langzaam maar zeker kwijt. Maar even een tekst:
3Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. (Efeziërs 1:3)
19en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, 20die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, 21boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. 22En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt. (Efeziërs 1:19-23)
Het perspectief op deze huidige werkelijkheid wordt verdrongen door het zogenaamd toekomstige perspectief op Israël. De rijkdom die gekoppeld is aan het nieuwe verbond waar wij nu deel van uitmaken verdwijnt langzaam maar zeker.
Jezus probeert duidelijk te maken dat het hemelse wat gekoppeld is aan zijn komst datgene is waar alles om draait en dat het aardse alleen maar een plaatje is:
19Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. 20Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; 21maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn. (Johannes 3:19-21)
Het oude Jeruzalem en ook het huidige Israël maken deel uit van de beschreven aardse werkelijkheid die nog steeds gekoppeld is aan de duisternis. Jezus afwijzen heeft grote gevolgen voor iedereen, dan blijf je hangen in de duisternis. Als wij als christenen ons daar weer mee verbinden komen wij ook weer in duisternis terecht.
We zijn begonnen met de leraar van Israël die niet alleen geen oog heeft voor het hemelse, maar ook het aardse niet goed begrijpt. Menen dat we bij de joden te rade moeten gaan om inzicht te krijgen in bijbelse aangelegenheden, kan alleen maar tot gevolg hebben dat ons perspectief op Jezus Christus en het evangelie meer en meer gaat vertroebelen met alle gevolgen van dien.
24Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. (Galaten 4:24-26)
De keus is aan ons, van welke van de beide bedelingen willen wij ten volle deel uitmaken? Het oude Jeruzalem is in slavernij en dat geldt ook vandaag nog steeds, het hemelse Jeruzalem is vrij, dat is de plaats waar Jezus gezeten is en waar wij deel van uitmaken als wij werkelijk en uitsluitend in Hem zijn.
Als Johannes de Doper optreedt bij de Jordaan, daar mensen doopt als zij zich bekeren, komen er ook een groep Farizeeën en Sadduceeën naar hem toe om ook gedoopt te worden. Johannes is nogal direct naar deze groep godsdienstige leiders, (trouwens niet alleen naar deze groep, ook in het Lucas evangelie in hoofdstuk 3:7 gebruikt hij onderstaande bewoordingen voor de hele menigte). Hij betitelt hen als adderengebroed:
…Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt… (Mattheus 3:7-8)
Door zich te bedienen van deze bewoordingen schuift hij deze groep vrome mannen in de hoek van de oude slang, de duivel dus.(Trouwens Jezus doet dat ook onder andere in Johannes 8:44 en Mattheus 23). Deze vrome mannen waren leiders in het toenmalige Judea en wellicht deel uitmakend van het Sanhedrin. Uiterlijk gezien waren deze mensen heel vroom en overtuigend, maar Johannes had door dat achter deze façade van vroomheid een satanisch iets schuil ging. Door hen te wijzen op hun vrucht, een vrucht die de komende toorn tot gevolg zou hebben, geeft hij aan hen aan dat uiterlijke vroomheid alleen het niet gaat maken, maar dat er een echte vrucht van bekering moet zijn om de komende toorn te kunnen ontgaan. Beide, de komst van de Messias en de verwoesting van Jeruzalem worden aangekondigd door de engel Gabriel in Daniel 9:24-27, en zijn dus nauw met elkaar verbonden.
Johannes de Doper had zoveel geestelijk inzicht dat hij direct door de façade wist heen te prikken. Wij in onze tijd hebben ook de opdracht om door dit soort zaken heen te kijken. Paulus waarschuwt ons:
11En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, 12want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; 13maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht. (Efeziërs 5:11-13)
De grote vraag voor ons is waaraan wij datgene kunnen herkennen wat schuil gaat achter een masker van vroomheid, anders zullen wij ook niet in staat zijn de leugens te ontmaskeren. Hiervoor wil ik twee teksten aanhalen die voor ons behulpzaam kunnen zijn in het uitvoeren van de bijbelse opdracht:
17Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.20Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen. (Mattheus 7:17-20)
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ík heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. 19Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen. (Jakobus 2:14-19)
Waar moeten wij op letten? Op de uitwerking en niet op mooie praatjes. Als we kijken naar de uitwerking die de komst van het “uitverkoren volk” heeft voor de mensen die eeuwenlang in Palestina hebben gewoond , dan zien we alleen leugen, diefstal en moord. Gaza is met de grond gelijk gemaakt en de schattingen van het aantal doden aan Palestijnse kant lopen uiteen van 60.000 tot meer dan 600.000 mensen, velen daarvan vrouwen en jonge kinderen. Op dit moment worden in de zogenaamde Westbank Palestijnse huizen en bezittingen vernield en mensen vermoord, daaronder zijn ook christelijke dorpen die onder vuur worden genomen. De “fantastische, gezegende Joden” in Israël laten al meer dan 75 jaar een spoor van dood en verderf achter in dat gebied.
Maar ik kan ook wel wat dichter bij huis blijven. Persoonlijk hebben wij al een aantal maanden een vlag te hangen die een combinatie is van de Friese en de Palestijnse vlag, deze vlag is ontworpen voor de organisatie die zich “Friesland voor Palestina” noemt. Wij halen tegenwoordig ’s nachts de vlag binnen omdat hij al twee keer van de muur getrokken is, in eerst instantie belandde hij in de sloot en konden wij deze terug halen, in tweede instantie vonden wij de vlag totaal vernield terug. Wij waren dus genoodzaakt om een nieuwe vlag te kopen. De enige die ik kan bedenken die zich aan deze vorm van vandalisme schuldig zou willen maken is ofwel een Joodse Zionist of , en dat lijkt mij het meest waarschijnlijk, een Christen-Zionist, die vindt dat deze vlag er niet hoort te hangen en zich dus verlaagt tot het vernielen van andermans bezittingen en ons het recht te ontnemen over de situatie in het Midden-Oosten een andere mening te hebben. Jezus gebruikt in Johannes 8 duidelijke woorden als hij verwijst naar Abraham:
…Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. (Johannes 8:39-40)
Abraham heeft zijn hele leven in vrede geleefd te midden van de Kanaänieten. Abraham heeft dus nooit iets gedaan om zich het “beloofde land” eigenmachtig toe te eigenen. Het was pas in de tijd van Mozes en Jozua, vierhonderddertig jaar later, dat er een goddelijke opdracht was om deze specifiek benoemde volken te vernietigen. Israël was in dit geval het instrument van Gods wraak over de zonden van deze volken. Echter als later de Israëlieten zich schuldig maken aan dezelfde zonden, komen ook zij onder het oordeel terecht. Een instrument zijn van Gods toorn zoals Israël dat was, brengt kennelijk verplichtingen met zich mee, er moet sprake zijn van heiligheid, anders mogen zij deze taak niet uitvoeren.
17Voorts hadden zij hun zonen en dochters door het vuur doen gaan, waarzeggerij en wichelarij gepleegd en zich verkocht om te doen wat kwaad is in de ogen des HEREN en Hem daardoor te krenken. 18Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda. (2 Koningen 17:17-18)
Los van wat ik eerder noemde, de huidige staat Israël is berucht vanwege de enorme LHBTQ gemeenschap vooral in Tel Aviv, waar jaarlijks de grootste gay-parade van de wereld is. Het aantal abortussen is nergens in de wereld zo groot als in Israël. Kijkend naar deze zaken en die dan spiegelen aan de eerder aangehaalde teksten, dan moet toch duidelijk zijn dat we hier niet kijken naar een gezegend volk maar een vervloekt volk?
Als ik dan te maken krijg met mensen die zich Christen noemen en dit op zijn best gedogen en vaak goed praten, en dat vaak ook nog van harte ondersteunen, mag ik dan op dezelfde manier de spiegel omhoog houden die Johannes de Doper, Jezus en Jakobus omhoog hielden naar hun volksgenoten? Als iemand zich christen noemt en zich vervolgens laat verleiden om andermans spullen te vernielen, geeft zo iemand dan blijk van het feit dat hij christen is, of moeten we zo iemand in de hoek zetten waar Jezus de Joden neerzet, namelijk als kinderen van de duivel?
44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. (Johannes 8:44)
Dit is hoe Jezus vrome, godsdienstige Joden betitelt, die elke sabbat in de synagoge te vinden zijn en in Jeruzalem aanwezig zijn voor de feesten, een of twee keer per week vasten, dagelijks de Torah bestuderen en deze, naar eigen zeggen, strikt in acht nemen. Waar staan wij dan als christenen als wij zonde goedpraten bij onszelf en bij anderen, is de vrucht die op die manier naar voren komt een vrucht van de Geest?
22Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23Tegen zodanige mensen is de wet niet. 24Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. (Galaten 5:22-24)
Als dit niet de vrucht is die na verloop van tijd in ons leven tevoorschijn komt, durven we onszelf dan christen ofwel navolger van Christus te noemen? Is Jezus niet de Vredevorst? Hebben wij het geloof wat kenmerkend was voor Abraham, ook in zijn omgang met de plaatselijke bevolking?
16Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. (Romeinen 4:16-17)
Als er dan sprake is van het feit dat God de Joden dit land heeft beloofd, iets wat ik trouwens betwijfel, hadden de Joden dan niet gewoon op een mandaat van God kunnen wachten en op die manier tonen dat zij het geloof van Abraham bezitten in plaats van het zich met geweld toe-eigenen van andermans land en bezittingen?
22En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden. 23Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; 24want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. 25Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen. 26Indien iemand meent godsdienstig te zijn en daarbij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos. 27Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren. (Jakobus 1:22-27)
…totdat de volheid der heidenen binnengaat, (Romeinen 11:25b)
In heel veel leringen rondom de verhouding tussen Israël en de kerk wordt vaak gerefereerd aan Romeinen 9 tot 11. Dit Bijbelgedeelte zou het bewijs zijn dat er naast de rol die de gemeente van Jezus Christus speelt in Gods heilsplan, ook nog een rol weggelegd is voor Israël, weliswaar in de toekomst. Bovengenoemd tekstcitaat wordt gebruikt om aan te geven dat er een moment zal zijn waarbij de rol van de kerk is uitgespeeld, namelijk het moment waarop de volheid van de heidenen is binnengegaan, en dat daarna Israël tot geloof zal komen en ofwel een aparte rol te vervullen krijgt of dat zij dan in de eindtijd deel gaat uitmaken van de gemeente van Jezus Christus.
De grote vraag die daarbij gesteld kan worden is wat Paulus bedoelt als hij refereert aan “de volheid van de heidenen”. De term “volheid van volkeren” vinden we al terug in het boek Genesis. Paulus kennende, met zijn enorme kennis van de oudtestamentische schriften, zou deze term niet gebruikt hebben als hij daarmee niet een verbinding wilde leggen met deze tekst uit Genesis. Eerst maar even de tekst uit Genesis:
19Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid van volken worden. (Genesis 48:19)
In Genesis wordt beschreven hoe Jakob de beide zonen van Jozef, zijn kleinzonen dus, adopteert als zijnde zijn eigen zonen:
5En nu, uw beide zonen, die u in het land Egypte geboren zijn, voordat ik tot u naar Egypte gekomen was, zij zijn de mijne; Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn (Genesis 48:5)
Dat blijkt later ook, als de indeling gemaakt wordt van het volk Israël in stammen, beide, zowel Efraïm als Manasse, een stam vertegenwoordigen.
Aan Abraham wordt beloofd dat hij een vader van vele volken zal zijn, of zoals het hier staat “een menigte volken”:
4Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb (Genesis 17:4-5)
Datzelfde wordt beloofd aan Jakob:
3En Jakob zeide tot Jozef: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend 4en tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken; Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdurende bezitting. (Genesis 48:3-4)
Jakob is dus degene die de zegen van Abraham erft. Deze erfenis wordt vervolgens, zoals we hebben kunnen lezen in Genesis 48:19 door Jakob gelegd op het hoofd van Efraïm, ook hij zal worden tot een volheid van volken. Het Hebreeuwse woord wat hier gebruikt wordt voor volken is הגוים (Goyim Strong H1471), met deze uitdrukking worden over het algemeen alle volken bedoeld, ook die niet tot Israël behoren, en vaak worden met deze uitdrukking alleen Niet-Israëlieten bedoeld.
Kijkend naar de geschiedenis dan mag duidelijk zijn dat Efraïm als stam en als volk verdwenen is onder de volkeren en dat geldt niet alleen voor Efraïm, maar ook voor de overige negen stammen die deel uitmaken van het huis van Israël, trouwens, het hele huis van Israël wordt vaak aangeduid als Efraïm. De profeet Hosea moet dit zinnebeeldig weergeven door te trouwen met een hoer.
2Het begin van het spreken des HEREN door Hosea. De HERE zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de HERE af. 3Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaïm, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. 4De HERE zeide tot hem: Noem hem Jizreël (Jizreël = God zaait), want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. 5Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal in het dal van Jizreël. 6Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama (Lo-Ruchama = Niet geliefde), want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou. 7Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen verlossen als de HERE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. 8Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. 9Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi (Lo-Ammi = Niet mijn volk), want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. 10Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. 11Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeenscharen, één hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn. 12Zegt tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama. (Hosea 1:1-12)
Het huis van Israël, met Efraïm als hoofdstam, komt in de situatie terecht dat God afscheid neemt en hen niet langer erkent als zijn volk, als zijn geliefde echtgenote. De naam Jizreël duidt erop dat het volk gezaaid wordt te midden van de overige volkeren en daar ter plekke gaat uitgroeien en integraal onderdeel zal worden van deze volkeren. Het huis van Israël wordt dus onderdeel van de Goyim. Pas veel later zullen zij hun status als volk en geliefde terug ontvangen als zij zich scharen onder dat ene Hoofd, namelijk Jezus Christus. Paulus citeert ook uit deze tekst in Romeinen 9:
24En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, 25gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. 26En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God. (Romeinen 9:24-26)
Paulus geeft hier aan dat deze tekst uit Hosea slaat op de gemeente van Jezus Christus, de kerk is dus het herstelde huis van Israël, of zoals Paulus dat aangeeft in Galaten 6 “het Israël Gods”.
Terug naar het begin. Als Jacob zijn geadopteerde zoon Efraïm zegent dan voorziet hij dat Efraïm zal bestaan uit een volheid van volken. Paulus grijpt hierop terug in Romeinen 11
25Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, 26en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. (Romeinen 11:25-26)
Gans Israël zal behouden worden als, naast het overblijfsel van de Joden, ook de Goyim, de volkeren en/of heidenen tot geloof komen, en zich scharen onder die ene Verlosser die uit Sion zal komen. Samen vormen zij dan het nieuwtestamentische Israël, bestaande uit mensen die uit God geboren zijn en door de Geest deel gekregen hebben aan Jezus die gezeten is aan de rechterhand van God de Vader in de hemel, het nieuwtestamentische Sion. Jezus verklaart tegenover Pilatus het volgende:
36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. 37Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. (Johannes 18:36-37)
Het Koninkrijk van God is dus niet fysiek of aards, maar geestelijk en hemels.
18Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, 19tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; 20want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd. 21En zó ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving. 22Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, 23en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, 24en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. (Hebreeën 12:18-24)
3Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. 4Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. 7En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, 8welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, 9door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, 11in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, 12opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. 13In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. (Efeziërs 1:3-14)
Veronderstellen dat er in deze tijd nog uitzicht is op een toekomstig Israël, dat geregeerd zal worden vanuit Jeruzalem lijkt mij volstrekt in tegenspraak met deze waarheid, namelijk dat wij deel uitmaken van het hemelse Jeruzalem, deel hebben aan alle hemelse zegen die we ontvangen hebben in Christus. Het herstelde huis van Israël zijn die mensen, Jood en heiden samen die met Christus gezeten zijn in de hemel, het hemelse Sion, van waaruit Jezus regeert.
9Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een vader, en Efraïm, die is mijn eerstgeborene. (Jeremia 31:9)
De kring van de eerstgeborenen, Efraïm dus, is de gemeente van Jezus Christus. Jezus is de eerstgeborene uit de doden, Hij is het ware zaad van Abraham, bij Hem alleen moeten we zijn om te kunnen horen bij het volk van God en alleen dan is God zelf onze Vader.
6Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. (Johannes 14:6)
Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! (Romeinen 11:1a)
Hoe dienen wij als christenen in deze tijd te staan tegenover het Joodse volk? God heeft zijn volk niet verstoten hebben we in bovenstaande tekst kunnen lezen, deze tekst en de rest van hoofdstuk 11 worden dan ook steeds gebruikt om te suggereren dat wij Israël moeten steunen, omdat de Joden kennelijk toch het volk van God zijn, ook vandaag. De suggestie is dat de Joden in de huidige tijd nog steeds aanspraak kunnen maken op oudtestamentische beloften gebaseerd op de verschillende verbonden die God met het Joodse volk zou hebben gesloten. Israël is nu eenmaal de edele olijf en heidense christenen mogen daar weliswaar ook een graantje van mee pikken, maar dat neemt nog steeds niet weg dat Israël ,de Joden dus, Gods volk is en dat het uiteindelijke plan van God voornamelijk de Joden zou betreffen.
Deze uitleg van Romeinen 11 is vooral te danken aan het optreden van John Nelson Darby halverwege de negentiende eeuw, die een voor die tijd nieuwe theologie ontwikkeld heeft, wat wij nu kennen als de “Dispensatieleer”. Het voert te ver om hier nu een uitgebreide studie van te maken, maar ik wil er een aantal kernbegrippen uitlichten die kenmerkend zijn voor deze theologie, namelijk:
– dat de kerk en Israël twee te onderscheiden entiteiten zijn die niet met elkaar verward mogen worden, – dat Gods heilsplan zich primair richt op Israël, – dat de kerk of gemeente slechts een tussenstap is die te wijten is aan de afwijzing van Jezus destijds door de Joden – dat God het heilsplan met Israël zal afronden in de eindtijd, nadat de gemeente is opgenomen in de hemel – en dat tijdens het zogenaamde “Duizendjarig rijk” Israël in het centrum zal zijn.
Dit gedachtegoed is door verschillende invloeden gemeengoed geworden onder 80% van de evangelische kerken in de westerse wereld, ook in Nederland.
In een nadere beschouwing van mijn kant kom ik echter tot een andere conclusie, namelijk dat Romeinen 11 verkeerd wordt uitgelegd. Je moet denken aan zaken zoals context en definities. Met context bedoelen we in eerste instantie het hele gedeelte vanaf Romeinen 9 tot en met hoofdstuk 11, onze uitleg van Romeinen 11 moet dus in harmonie zijn met het door Paulus gestelde in hoofdstuk 9 en 10. Maar je moet het ook breder trekken in de richting van het geheel van de brief aan de Romeinen en het moet ook in harmonie zijn met alle andere brieven die Paulus geschreven heeft, en natuurlijk moet het ook in harmonie zijn met de manier waarop Jezus omgaat met zijn Joodse tijdgenoten en het onderwijs wat Hij gegeven heeft.
Wat ook belangrijk is, is dat we uitgaan van de juiste definities, zoals wie wordt bedoeld met Israël, wie is Gods volk, wat bedoelt Paulus met het begrip besnijdenis en meer van dit soort zaken. Als we hier de mist in gaan dan heeft dat grote gevolgen voor de rest van onze interpretatie van diverse bijbelgedeelten, dus ook op onze uitleg van Romeinen 11.
Uitleg van het gedeelte
Om tot een goede uitleg te komen moeten we eerst kijken naar de toenmalige situatie en alle daarbij aanwezige consequenties. Er is sprake van een nieuwe situatie, na de kruisdood en opstanding van Jezus en daarna zijn hemelvaart gevolgd door de uitstorting van de Heilige Geest op de grote pinksterdag is alles klaarblijkelijk niet meer hetzelfde. De dood en opstanding van Jezus hebben een einde gemaakt aan het belang van alle ceremonieel rondom de tempeldienst, echter in die tijd was de tempel nog wel een gegeven. In Handelingen 21:20 is te lezen dat de Joodse Gemeente in Jeruzalem nog volop betrokken was bij de in mijn optiek overbodig geworden tempeldienst. Wat we hieruit op kunnen maken is dat in deze fase twee verbonden, namelijk het oude verbond met Israël, gekoppeld aan de tempel in Jeruzalem, en het nieuwe verbond in Christus bestemd voor de gemeente, bestaande uit zowel Joden als ook heidenen, nog naast elkaar bestonden. In Hebreeën 8 zegt Paulus over de transitie van een oud naar een nieuw verbond het volgende:
13Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning. (Hebreeën 8:13)
In de tijd dat Paulus dit schrijft is het oude verbond met alles wat daarmee verbonden is wel verouderd verklaard, maar nog niet verdwenen. Dit schrijft hij zo rond het jaar 65 na Christus, een paar jaar voordat er abrupt een einde komt aan alles wat verbonden is met Jeruzalem en haar tempel, als Jeruzalem en haar tempel met de grond gelijk worden gemaakt in het jaar 70 door de hand van Titus en het Romeinse leger, waarbij naar schatting meer dan een miljoen Joden om het leven zijn gekomen en de rest als slaven zijn afgevoerd. Paulus schrijft de brief aan de Romeinen in deze tussenliggende tijd waarin hij de door Jezus voorzegde vernietiging van Jeruzalem ziet aankomen. In hoofdstuk 9 beschrijft hij zijn hartzeer over het feit dat de meerderheid van zijn Joodse volksgenoten Jezus hebben afgewezen en derhalve onder het oordeel zijn en verloren dreigen te gaan.
1Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: 2ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. 3Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; 4immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: 5hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. (Romeinen 9:1-5)
Paulus beschrijft in hoofdstuk 11 hoe God in Zijn soevereiniteit gebruik gemaakt heeft van het ongeloof van het merendeel van de Joden, door eerst de deur naar de heidenen inclusief de onder haar verstrooide Israëlieten, die voor het merendeel nog woonden in het gebied ten noorden van het land Kanaän, te openen. De ongelovige takken die verbonden waren aan de edele olijf op grond van het oude verbond, het merendeel van de Joden dus, werden weggebroken omdat zij Jezus niet wilden aanvaarden als Messias, en losgemaakte takken van de wilde olijfboom, 10-stammen Israël samen met de overige volken, worden in de plaats daarvan geënt op de edele olijf, en dat betekent dat zij deel hebben aan de rijke sapstroom die verbonden is met Jezus Christus. Hij is nieuwe tempel, Hij is het nieuwe Israël. Dat betekent echter niet dat daarmee de deur voor Joden dicht gegaan is, maar de uitnodiging om Jezus te aanvaarden als Messias blijft staan voor de Joden. Als zij terugkomen op hun ongeloof en afwijzing zullen ook zij weer terug geënt worden op hun oorspronkelijke plaats, en Paulus vergelijkt dit met “leven uit de doden”.
Historisch gezien is dit ook gebeurd. Alle Joodse christenen zijn in het jaar 67 gevlucht naar de bergen rondom Pella bij de Dode Zee en zijn dus niet omgekomen bij de vernietiging van Jeruzalem. Een ander deel van de arme bevolking is niet omgekomen en heeft zich bij het zien van de vernietiging van Jeruzalem bekeerd en ook deze zijn deel gaan uitmaken van de gemeente van Jezus Christus. Zij worden niet meer als zodanig erkend als Jood en zijn dus een integraal onderdeel geworden van de kerk in het Midden-Oosten. Dat geldt ook in Palestina dus, veel Palestijnen stammen dus af van deze groepen. De terugkeer van de rest van het Joodse volk binnen de geledingen van de kerk is haar tot grote zegen geworden, de vernietiging van stad en tempel betekende wel dat zij afscheid moesten nemen van alles wat nog verbinding had met Jeruzalem.
Het oude verbond is hierbij volledig verdwenen, inclusief haar tempel en ceremonieel, het oudtestamentische Israël bestaat hierna niet meer. Het Rabbijnse Jodendom, wat ontstaan is in het jaar 90 na Christus door de inspanningen van een kleine groep Farizeeën is geen voortzetting van oudtestamentisch Israël maar pure afgoderij gebaseerd op de leer (Talmoed) van de Farizeeën en Schriftgeleerden, waar ook Jezus al voortdurend mee in de clinch lag getuige de beschrijvingen in de evangeliën, met name ook in het Evangelie van Johannes.
Paulus eindigt zijn pleidooi met een prachtige lofprijzing:
33O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! 34Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? 35Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? 36Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Romeinen 11:33-36)
Wat Paulus hier ziet is niet alleen Gods magistrale handelen, maar ook de glorieuze uitwerking voor de gemeente, vooral ook voor de Joden die zich daarbij gevoegd hebben. Het oude verbond met al haar ceremonieel valt volledig in het niet bij het glorieuze nieuwe verbond waar wij deel van uit mogen maken, dankzij Jezus Christus en Zijn vergoten bloed. God heeft zijn volk niet verstoten maar hun op deze manier overgeplaatst naar dat glorieuze nieuwe verbond, waar zij samen met alle volken deel van mogen uitmaken.
Direct na de zondeval, terwijl Adam en Eva worden aangesproken door God op de overtreding van het verbod om te eten van de “Boom der kennis van goed en kwaad” geeft God aan de slang en aan Eva een belofte, namelijk dat uit haar een Zaad een Nakomeling zal voortkomen dat de slang de kop zal vermorzelen:
15En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. (Genesis 3:15)
Met dit Zaad wordt Jezus Christus bedoeld die aan het kruis de macht van de Satan heeft gebroken en hem beroofd heeft van zijn hegemonie. De gevolgen die de overtreding van Adam en Eva met zich meebrengt worden op dat moment terug gedraaid, de mensheid wordt weer met God verzoend, de dood die het gevolg is van de overtreding is hierdoor teniet gedaan. Zoals Paulus het zo mooi formuleert:
54…De dood is verzwolgen in de overwinning. 55Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? (1 Korintiërs 15:54b-55)
God kiest er echter voor om dit, gezien vanuit onze werkelijkheid, niet direct en in een keer te doen, maar dit heilsplan van God wordt door de tijd heen langzaam uitgerold. De keuze die de mensheid heeft gemaakt heeft dusdanige gevolgen dat God moet besluiten om een einde te maken aan de mensheid. Slechts 8 mensen, namelijk Noach en zijn gezin overleven dit grote oordeel van God.
5Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN. (Genesis 6:5-8)
Direct na de zondvloed wordt het er echter niet beter op, de mens blijft kiezen voor zichzelf, ze proberen een toren te bouwen die tot in de hemel reikt, om op die manier aan te geven dat zij God niet erkennen als hoogste gezag, maar zichzelf. In deze tijd volgt de volgende stap in Gods heilsplan, Hij kiest één man, namelijk Abram, om met hem het plan verder uit te werken. Abram woonde bij zijn familie, eerst in Ur der Chaldeeën bij de monding van de Eufraat en later in Haran, meer richting de bron van de Eufraat. God roept hem om dit gebied, dat verbonden is met Babel en haar toren, en zijn familie achter zich te laten en te gaan naar een land waar hij en zijn nageslacht zal wonen.
1De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3Ik zal zegenen wie u (Abram) zegenen, en wie u (Abram) vervloekt zal Ik vervloeken, en met u (Abram) zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 7Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. (Genesis 12:1-3; 7a)
Later in de tijd sluit God met Abraham een verbond, dat als het ware zowel het oude verbond ten tijde van Mozes alsook het nieuwe verbond in Christus in zich meedraagt. Dit verbond is Gods eenzijdige onvoorwaardelijke toezegging met eeuwige implicaties.
7Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. (Genesis 17:7)
Abraham heeft echter twee zonen, die allebei deel uitmaken van dat verbond, niet alleen Isaak, maar ook Ismael is met Abraham besneden, echter wordt Ismael later, na de geboorte van Isaak, samen met zijn moeder weggezonden, omdat hij uiteindelijk geen blijvend deelgenoot zal zijn van het grote plan van God. Paulus legt in Galaten 4 uit dat deze beide zonen zinnebeeldig zijn , namelijk Ismael de zoon van het vlees, door hem verbonden met het oude Jeruzalem en het fysieke Israël, en Isaak, die verbonden is met het nieuwe Jeruzalem en daaraan gekoppeld de gemeente van Jezus Christus
22Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. 27Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft. (Jesaja 54:1) 28En gij, broeders, zijt, evenals Isaak, kinderen der belofte. 29Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu. 30Maar wat zegt het schriftwoord? Zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der vrije. 31Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van de vrije. (Galaten 4:22-31)
Het fysieke Israël kan alleen maar gezien worden als een soort intermezzo, totdat het beloofde zaad ofwel nageslacht, namelijk Jezus Christus ten tonele verschijnt. Net als in de tijd Abraham zijn zoon Ismael de deur uit moet sturen, zo maakt God ook een eind aan het oude verbond om plaats te maken voor een nieuw verbond, dat door Jezus verbonden wordt met zijn bloed
28Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mattheus 26:28)
Johannes formuleert het heel mooi als hij zijn evangelie inleidt:
11Hij kwam tot het zijne(zijn volk), en de zijnen(zijn volksgenoten) hebben Hem niet aangenomen. 12Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. (Johannes 1:12-13)
Je kunt hier duidelijk uit afleiden dat het nieuwe volk van God wereldwijd is en niet langer beperkt tot het fysieke Israël , allen staat er, allen die Hem aangenomen hebben. Het ware volk van God is dat volk, dat zijn die kinderen die verbonden zijn met Jezus Christus. Vast houden aan het fysieke Israël en haar verbond staat gelijk aan de weigering om Ismael de laan uit te sturen en dat heeft grote gevolgen. Je zult de diepte van het nieuwe verbond nooit volledig begrijpen als je meent vast te moeten houden aan dat oude verbond, een verbond dat volgens Paulus gedoemd is om te verdwijnen:
13Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning. (Hebreeën 8:11)
Met de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 door de Romeinen is dan ook definitief een einde gekomen aan de tempeldienst en alle daaraan gekoppelde ceremonieel en daarmee aan het oude verbond en haar priesterdienst. Het draait niet om het fysieke nageslacht van Abraham, maar om het geestelijke, kijk maar hoe Paulus in Galaten 3 dit verder uitwerkt
16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. 26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen. (Galaten 3:16; 26-29)
Jezus Christus is het beloofde nageslacht, Hij is de erfgenaam van de beloften, wij de gemeente van Jezus Christus zijn in Christus nageslacht van Abraham en derhalve erfgenaam. Uiteindelijk draait het allemaal om Jezus Christus en die gekruisigd en om niets en niemand anders
Er lijkt tegenwoordig meer dan één Jezus te zijn om uit te kiezen. Wie is de ware Jezus en wie volg ik?
Er is een ‘zoeker vriendelijke’ Jezus, hij is degene die hoe dan ook bij niemand aanstoot zal geven. Hij houdt van iedereen, wat ze ook doen.
Er is een ‘zaai en oogst’ Jezus, hij sloot een verbond met de mens, zodat de mens zijn zaad kon zaaien en rijkdom en geluk kon oogsten op aarde en dan naar de hemel kon gaan als hij sterft.
Er is een ‘opgaan in de wereld’ Jezus, hij wil dat we eruit zien, handelen en zijn als de wereld om de verlorenen te bereiken.
Er is een ‘nooit eindigende genade’ Jezus, zijn ‘genade’ bedekt ons, wat we ook doen of hoe we ook leven.
Er is een ‘geloof maar’ Jezus. Zolang je echt in je hart gelooft, ben je gered.
Er is een ‘name it en claim it’ Jezus. Noem maar op; Alles en het is van jou! Als je het niet krijgt, komt dat omdat je geen geloof hebt. Het is jouw schuld.
Er is een ‘vleselijke’ Jezus, hij verwacht niet dat je de zonde overwint, hij begrijpt dat je gewoon vleselijk bent.
Er is een ‘in het hart wonende’ Jezus. Het enige wat je hoeft te doen is hem in je hart binnen te komen en voilà, hij is er. Je gaat naar de hemel!
Waarheid:
Er is de Jezus die zei: ‘Bekeert u en gelooft het evangelie, het Koninkrijk van God is nabijgekomen.’ -Marcus 1:15
Hij zei: ‘Verloochen uzelf, neem uw kruis op en volg Hem.’ -Lucas 9:23-25
Hij zei dat je zonder Hem al veroordeeld bent. -Johannes 3:18
Hij zei dat Hij kwam om de wereld te redden -Johannes 3:16
Hij zei dat je Zijn discipel niet kunt zijn, tenzij je alles verzaakt wat je hebt. -Lucas 14:33
Hij zei dat als we iemand meer liefhebben dan Hem, we Hem niet waard zijn. -Mattheüs 10:37-39
Hij zei dat als je van dit leven houdt, je het zult verliezen. -Johannes 12:25-26
Hij zei dat je niet én God én geld kunt dienen. -Mattheüs 6:24
Hij zei: vrees God, die zowel lichaam als ziel in de hel kan vernietigen. -Mattheüs 10:28
Hij zei: wees radicaal in je strijd tegen de zonde. -Mattheüs 18: 8-9
Hij zei: heb God lief met heel je hart, ziel en verstand en je naaste als jezelf. -Mattheüs 22:37-39
Hij zei dat Hij het licht van de wereld is. -Johannes 8:12
Hij zei dat de poort smal is en de weg moeilijk en weinigen vinden hem. -Mattheüs 7:13-14
Hij zei dat degenen die in Hem geloven maar ongerechtigheid werken, zullen worden uitgeworpen. -Mattheüs 7:21-23
Hij zei dat je gehaat zult worden omwille van Zijn naam, maar als je tot het einde volhardt, zul je gered worden. -Mattheüs 10:22
Hij zei dat Ik de weg, de waarheid en het leven ben. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. -Johannes 14:6