Een kalf van goud

1Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aäron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die vóór ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet, wat er van hem geworden is. 2En Aäron zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij. 3Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. 4Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 5Toen Aäron dat zag, bouwde hij daarvóór een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de HERE!
(Exodus 32:1-5)

In de Bijbel in het boek Exodus kunnen we lezen hoe God de Israëlieten bevrijd heeft uit Egypte en hen gebracht heeft bij de berg Sinaï. Het volk heeft de machtige manifestaties van Gods macht en heerlijkheid bij de uittocht mogen zien en beleven om vervolgens deel te mogen hebben aan het feit dat de heerlijkheid van God neerdaalt op de berg Sinaï. God heeft er voor gekozen om zichzelf aan het volk te vertonen, wat gepaard ging met enorme donderslagen, bliksemflitsen en zeer luid bazuingeschal , weliswaar omhuld door een wolk omdat wij mensen de werkelijke heerlijkheid van God niet kunnen zien want dat is dodelijk. Daar bij die ontmoeting geeft God hun beloften mee en de wet en gaat God een verbond aan met het volk. Het volk echter is dermate onder de indruk van alle manifestaties dat zij een herhaling niet zien zitten.

18En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan. 19En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons, opdat wij niet sterven.
(Exodus 20:18-19)

Op dat moment wordt Mozes benoemd tot een soort intermediair tussen God en het volk. Mozes zal voortaan direct met God spreken en het volk zal voortaan luisteren naar Mozes en niet meer rechtstreeks naar God. In Deuteronomium 18 kunnen we lezen dat God er mee instemt

15Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de HERE, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren. 16Juist zoals gij van de HERE, uw God, gevraagd hebt op Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de HERE, mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve. 17Toen zeide de HERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben18een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. 19De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen
(Deuteronomium 18:15-19)

God belooft het volk op dit moment dat er in de toekomst een Profeet zal opstaan die wel rechtstreeks tot het volk zal spreken, en deze toekomstige Profeet is volgens Petrus en Stefanus Jezus Christus (zie Handelingen 3:22 en 7:37). Als Mozes vervolgens op de berg bij God is voor de duur van veertig dagen, dan blijkt dat het volk in een dergelijke omgeving niet langer in staat is om te wachten, zij vermoeden dat Mozes definitief verdwenen is en denken dat zij op zoek moeten naar iets of iemand die kennelijk de rol van Mozes  als intermediair moet overnemen. Het enige kader wat zij hebben is hun verblijf jarenlang in Egypte waar zij met regelmaat geconfronteerd zijn geweest met de stiergod Apis en de koegodin Hathor en zij besluiten dan ook dat er een gouden kalf gemaakt moet worden dat als het ware tussen het volk en God in zal komen te staan. Het lijkt niet de bedoeling van het volk te zijn om de HERE te vervangen door Egyptische goden maar om dit gouden beeld te gebruiken als plaatsvervanger voor Mozes.

…Morgen is er een feest voor de HERE!
(Exodus 32:5b)

Het volk kiest kennelijk naar beste weten een voor hen bruikbare vorm om de HERE te dienen, zij grijpen terug op wat hun geleerd is binnen de Egyptische godsdienstige praktijk.

Jaren later, direct na de regering van Salomo, zien we hetzelfde fenomeen zich weer voordoen. Jerobeam is koning geworden over het huis van Israël, dat zich losgemaakt had van het koningshuis van David. Als deze Jerobeam geconfronteerd wordt met de gedachte dat het volk moet optrekken naar  Jeruzalem om tijdens de feesten voor God te verschijnen dan verzint hij ook een alternatief

26En Jerobeam zeide bij zichzelf: Nu zal het koningschap tot het huis van David terugkeren. 27Indien dit volk optrekt om slachtoffers te brengen in de tempel des HEREN te Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren tot hun heer, tot Rechabeam, de koning van Juda; dan zullen zij mij doden en terugkeren tot Rechabeam, de koning van Juda. 28Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. 29Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Dan. 
(1 Koningen 12:26-29)

De tempeldienst die door Mozes was ingesteld functioneerde als een soort tussenstap, zodat het volk God kon ontmoeten in een voor hen “veilige” omgeving, het diende dus als een soort intermediair in de plaats van Mozes, die in zijn hoedanigheid als mens natuurlijk geen blijvende rol zou kunnen spelen, hij is uiteindelijk gestorven. Het volk moest het voortaan doen met de door Mozes geschreven wetten en de door Mozes ingestelde dienst rondom de tabernakel, later in de tijd van David en Salomo vervangen door de tempeldienst in Jeruzalem. Jerobeam was bang dat als het volk op zou trekken naar Jeruzalem dat zij dan ook terug zouden keren onder de vleugels van Rechabeam de zoon van Salomo en David. Hij bedacht iets waarmee hij hen wilde weerhouden om op te trekken en het volk in de illusie te laten dat zij ook in Dan en Betel bij de gouden kalveren de HERE zouden kunnen ontmoeten.

4Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen…
(Exodus 20:4-5a)

Het gebruik maken van fysieke voorwerpen van welke soort dan ook zou van God een karikatuur gemaakt hebben, niets wat deze schepping heeft voortgebracht kan de majesteit van de Schepper representeren. Het beeld wat wij van God hebben wordt alleen maar kleiner, afhankelijk van wat wij ons kunnen voorstellen, wij worden dan als het ware de schepper van God. Alleen de tempeldienst mocht functioneren als een soort weerspiegeling om ons begrip van wie God is naar een hoger plan te tillen. In de brief aan de Hebreeën wordt uitgebreid aandacht besteed aan dit onderwerp.

 5Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg.
(Hebreeën 8:5)

Onder het oude verbond werden de tabernakel van Mozes en de tempel in Jeruzalem gezien als woonplaats van God, in beide gevallen was bij de inwijding de heerlijkheid van God neergedaald en had de tabernakel en later de tempel vervuld (zie hiervoor Exodus 40:34 en 2 Kronieken 7:1). Als je dan begrijpt dat onder het nieuwe verbond de tempel of het huis van God geen fysiek gebouw meer is maar de persoon Jezus Christus en in het verlengde hiervan de gemeente van Jezus Christus gezien kan worden als tempel of huis van God, dan mag duidelijk zijn dat Mozes op de berg een blik heeft mogen werpen in de geestelijke werkelijkheid van God, waar hij Jezus gezien heeft en hij heeft daar de opdracht gekregen om de Zoon van God uit te beelden in de vorm van de tabernakel en alle ceremonieel daaromheen. Voor de duidelijkheid eerst nog maar een paar teksten.

19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams22Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had.
(Johannes 2:19-22)

15Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid
(1 Timoteüs 3:15)

16Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?
(1 Korintiërs 3:16)

Het vervangen van Mozes en later de tempel in Jeruzalem door een gouden kalf wordt door God dan ook uitdrukkelijk afgewezen en heeft uiteindelijk geleid tot de beëindiging van het verbond en de verschillende ballingschappen die daarmee gepaard gingen. Fysieke beelden en voorwerpen zijn kennelijk niet in staat om als weerspiegeling of schaduw te dienen, alleen Jezus kan laten zien wie God is.

…wie Mij (Jezus)  gezien heeft, heeft de Vader gezien;..
(Johannes 14:9)

15Hij (Jezus) is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping,
(Kolossenzen 1:15)

Als we dan nu naar onze tijd gaan, dan mag duidelijk zijn dat alle ogen gericht moeten zijn op Jezus alleen. Wàt ook bedacht wordt dat zou kunnen dienen als focuspunt buiten Jezus om is te vergelijken met het creëren van een gouden kalf, een overtreding van het tweede gebod dus.

 2Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs,…
Hebreeën 12:2a)

Sinds John Nelson Darby halverwege de negentiende eeuw op de proppen kwam met zijn dispenstatieleer, geholpen in het begin van de twintigste eeuw door de zogenaamde Scofield Referents Bible, die deze leer had verwerkt in zijn commentaar, met daaraan gekoppeld de opname van de gemeente, is er scheiding gemaakt tussen Israël enerzijds en de gemeente anderzijds. Wat er nog bij kwam is het hele verhaal rondom de tweede wereldoorlog en daaraan gekoppeld de oprichting van de staat Israël, dit heeft bij velen een verschuiving in focus van “Jezus alleen” naar Jezus en Israël tot gevolg gehad, de hele eschatologie ofwel leer over de eindtijd is gericht geworden op het Midden-Oosten en Israël. Bij heel veel christenen van Evangelische en Reformatorische signatuur lijkt er duidelijk een verschuiving op te treden in focus, alle ogen lijken gericht te zijn op dat kleine landje in het Midden-Oosten, en de hele toekomstverwachting wordt daaraan opgehangen. Het gevolg is dat er een oogje dicht geknepen wordt als het gaat om zaken die niet door de beugel zouden kunnen als wij ons daaraan schuldig zouden maken. Ons koloniale gedrag mag hier en daar wat goeds met zich meegebracht hebben, maar voor de autochtone bevolking in de gekolonialiseerde gebieden heeft dit heel veel schade gebracht. Het toe-eigenen van andermans grondgebied en bezit heet diefstal, het onderdrukken van plaatselijke bevolking gepaard gaande met moord en doodslag is een overtreding van het zesde gebod:

13Gij zult niet doodslaan.
14Gij zult niet echtbreken.
15Gij zult niet stelen.
16Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
17Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
(Exodus 20:13-17)

Dit zijn een paar geboden die rechtstreeks uit de mond van God komen en door de vinger van God zelf op stenen tafels geschreven, deze geboden zijn universeel van toepassing en maken zelfs onderdeel uit van de universele rechten van de mens, niet alleen voor het volk Israël van toen, maar ook voor de mensheid in zijn geheel, dus specifiek ook voor ons christenen en natuurlijk is dit ook van toepassing voor de huidige staat Israël. Er wordt dan een beroep gedaan op andere Bijbelteksten die het gedrag van Israël en het IDF rechtvaardigen. Het land zou aan de joden toebehoren, dat zou betekenen dat zij het recht hebben het land zich toe te eigenen met alle desastreuze gevolgen die dat heeft voor de plaatselijke bevolking die daar al eeuwen woont.

32Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.
(Romeinen 1:32)

Door de focus te verleggen van “Jezus alleen” naar Israël en wellicht een beetje Jezus erbij, wordt er binnen de genoemde kringen heel vaak een oogje dichtgeknepen. Met name christenen zouden de rechtseis van God bij uitstek moeten kennen, toch zijn zij op basis van deze focus geneigd om bijval de geven aan de door Israël begane gruweldaden. Als we daarentegen onze focus uitsluitend op Jezus houden dan zou er een andere houding verwacht mogen worden. Het verleggen van de focus van God zelf en Jezus Christus, destijds in de vorm van gouden kalveren en in de tijd van Jezus en de apostelen de pracht en praal van het tempelcomplex, resulteert bijna automatisch ook in het verschuiven van de moraal. Voor het huis van Israël en het huis van Juda resulteerde dit in het verwijderd worden van het volk uit het land, en voor het restje Israël wat er nog was aan het begin van de nieuwtestamentische tijd resulteerde dit in de vernietiging van Jeruzalem en haar tempel en het verdrijven van het overblijfsel van het volk Israël voor zover ze Jezus Christus hadden afgewezen, met uitzondering van die Israëlieten die Jezus wel hadden ontvangen, zij zijn door God beschermd geweest en ondergebracht in het nieuwe volk van God, de gemeente van Jezus Christus. Hierbij is alle onderscheid die te maken heeft met etniciteit definitief opgeheven.

 9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.
(1 Petrus 2:9-10)

Als God Abram roept dan doet God dat met een reeks beloften

1De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
(Genesis 12:1-3)

Van alle hier aangegeven beloften is Jezus Christus de erfgenaam, beide is dus waar als je Abram zegent ben je gezegend, als je Abram daarentegen vervloekt ben je vervloekt, als Jezus de erfgenaam is dan zijn we gezegend als wij Hem zegenen en zijn wij vervloekt als wij Jezus vervloeken. De overgrote meerderheid van het huidige joodse volk vervloekt Jezus Christus en moet derhalve gezien worden als een vervloekt volk, de ware gemeente van Jezus Christus zegent Hem en is derhalve door Hem gezegend.

 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen
(Hebreeën 1:2a)

 9Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.
(Galaten 3:9)

16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.
(Galaten 3:16)

26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:26-29)

Tot aan het midden van de negentiende eeuw was de centrale focus van het ware christendom gericht geweest op Jezus alleen, vanaf het midden van de negentiende eeuw is de focus langzaam verschoven in de richting van Israël, dat op grond van de bijbel gezien moet worden als een vervloekt volk. Deze verschuiving van focus plaatst ons buiten de beloofde zegeningen omdat wij Jezus en zijn gemeente niet meer de plaats geven die zij verdienen, deze verschuiving staat dus gelijk aan het oprichten van een gouden kalf, het maakt in deze niet uit of het kalf gemaakt van oud schroot of van kostbaar goud, het is en blijft een gruwel in Gods ogen.

4Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. 5Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert. 
(Openbaring 2:4-5)

Als wij ons in deze evangelische of reformatorische kringen niet bekeren van het feit dat niet Jezus onze eerste liefde is maar dat van het gouden kalf Israël onze eerste liefde is gemaakt dan belooft Jezus dat op een gegeven moment onze kandelaar zal worden weggenomen met alle gevolgen van dien.

Geplaatst in Zonder categorie | Getagged , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Huis van God

Het gedeelte dat volgt is een fragment uit mijn boek “Jezus en de Joden” behandeld vanuit het evangelie en de eerste brief van Johannes, uitgegeven bij Brave New Books (link om te bestellen)

1Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.4En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. 5Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? 6Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
(Johannes 14:1-7)

Het gedeelte wat voor ons ligt is volgens mij één van de meest verkeerd uitgelegde teksten. Deze teksten worden vaak gebruikt in relatie tot begrafenissen. Als je maar gelooft in God en ook in Jezus, dan mag je uiteindelijk bij de wederkomst van Jezus je woning betrekken die Jezus voor jou heeft ingericht. De vraag die mij al jaren bezig houdt is of dit wel de juiste uitleg van dit gedeelte is. We zijn aanbeland in het laatste stuk onderwijs dat Jezus meegeeft aan zijn discipelen. Dit laatste stuk begon in Johannes 13 met aanschouwelijk onderwijs over onderlinge dienstbaarheid. De strekking van het hele betoog is gericht op de tijd die aanstaande is, namelijk de tijd dat Jezus weggaat en hen, deze 11 resterende discipelen alleen achter laat. Hij begint dan ook met de opmerking dat “hun hart niet ontroerd” moeten zijn over zijn vertrek, later voegt Hij daar nog het volgende aan toe:

Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
(Johannes 16:7a)

Het feit dat Jezus fysiek niet meer bij hen zal zijn is niet alleen een reden tot verdriet en zorg, maar wordt door Jezus zelfs betiteld als “beter voor U”. De hele context is gericht op het feit dat Jezus niet meer fysiek aanwezig zal zijn, en wil een uitleg zijn van het “hoe en wat” dat deze verandering met zich meebrengt, niet gericht op de verre toekomst, maar op de situatie die direct aanstaande is. Het hele stuk vanaf Johannes 14 tot en met 17 gaat hierover en heeft dus niets te maken met de toekomstige wederkomst van Jezus.

Het eerste waar Jezus toe oproept is om in God en in Hem te geloven. Dit geloof is cruciaal voor de tijd die komt. De tijd die komt is een geloofsrealiteit, die niet gezien kan worden door de wereld.

33Jezus dan zeide: Nog korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft.
34Gij zult Mij zoeken en niet vinden en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
(Johannes 7:33-34)

Dit gold toen voor de omstanders, de Joden, maar geldt nog steeds voor een ieder die niet in Hem gelooft. Deze geloofsrealiteit is geestelijk en niet fysiek.

Het tweede waaraan Hij refereert is “het Huis van mijn Vader”. De vraag die dan gesteld moet worden is wat dit Huis van mijn Vader inhoudt. Is dit een soort huis in de hemel waar wij in de toekomst aanspraak op mogen maken of is dat iets voor vandaag. Even een paar teksten:

19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams.
22Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had.
(Johannes 2:19-22)

In deze tekst is Jezus zelf de tempel, het huis van God dus. En verder deze uitspraak van Paulus:

Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.
( 1 Timoteüs 3:15)

In deze tekst is de gemeente van Jezus Christus het Huis van God. De vraag die dan rijst is of het Huis van de Vader waar de tekst in Johannes 14 het over heeft, niet gewoon hetzelfde is, namelijk Jezus zelf en de gemeente van vandaag.

Het woord woning in deze tekst is het Griekse woord MONE (Strong G3438 μονή ) wat zoiets betekent als woonplaats of verblijfplaats. Dit woord is afgeleid van het werkwoord MENO (Strong G3306 μένω ) wat de betekenis heeft van blijven, verblijven of wonen en wordt in hoofdstuk 15 van het evangelie van Johannes vertaald met blijven:

blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
(Johannes 15:4)

Als Jezus in hoofdstuk 15 dus praat over blijven, en waar iedereen het over eens is dat dit slaat op de huidige relatie, die wij met God, met Jezus hebben, dan lijkt het mij logisch dat met het huis van de Vader in hoofdstuk 14 de huidige verblijfplaats wordt bedoeld en niet iets voor de verre toekomst. Dat wordt nog eens onderstreept door de uitspraak van Jezus: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”. De tabernakel van Mozes kende drie toegangen namelijk de toegang tot de voorhof, de toegang tot het heilige en de toegang tot het Heilige der Heiligen, deze toegangen werden in de joodse traditie respectievelijk, “de weg, de waarheid en het leven genoemd”. Wat Jezus hiermee zegt is dat Hijzelf de toegang is tot het Huis van de Vader, zowel van de Voorhof, met het altaar en het wasvat, maar ook van het Heilige, met de kandelaar, de tafel van de toonbroden en het reukofferaltaar, en als laatste ook van het Heilige der Heiligen waar eens de Ark van het verbond stond met het verzoendeksel. In Hebreeën worden deze zaken een voorafschaduwing genoemd van Jezus:

…Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken,
…Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, …
(Hebreeën 9:9; 10:1a)

Het is dan ook van het grootste belang om deze zaken mee te wegen bij de uitleg van de tekst. Als Jezus dan ook zegt dat Hij heengaat om ons plaats te bereiden, dan slaat dat op de situatie die ontstaat als de Trooster, namelijk de Geest der waarheid wordt gezonden. Ons wordt in Hem een plaats aangeboden. Paulus spreekt hier uitgebreid over in zijn brief aan de Efeziërs:

4God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, 6en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, 7om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus
(Efeziërs 2:4-7)

Dit is dus de toestand van vandaag, waar wij deel aan hebben door het geloof.

8Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? 10Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.
12Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; 13en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.
(Johannes 14:8-14)

Filippus vraagt vervolgens om een fysieke manifestatie van God de Vader. God de Vader zou door Jezus getoond moeten worden in onze wereld, de fysieke wereld. Hoewel dit een authentiek verlangen is vergelijkbaar met het verlangen van Mozes om God te zien en dat van Elia die God gezien heeft is het enige dat Jezus vervolgens doet, is verwijzen naar zichzelf als de ultieme openbaring van de Vader. Jezus als het vleesgeworden woord is de openbaring van de Vader bij uitstek. In Mattheus 14 verklaart Jezus de discipelen zalig vanwege het feit dat zij Hem zien.

16Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. 17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.
(Mattheus 14:16-17)

Voor velen uit het oude verbond was er dat overweldigende verlangen om de aanwezigheid van de Messias, Jezus te mogen zien en naar Hem te mogen luisteren, maar zij hebben dit niet mee mogen maken. De discipelen echter mochten dit wel meemaken. Je zou de conclusie kunnen trekken dat hoe groot de openbaring van God ook geweest mag zijn onder het oude verbond, de aanwezigheid van Jezus te midden van hen veel groter is. De discipelen hebben Hem zelf meegemaakt, niet alleen als persoon maar ook de werken die Hij voor hun ogen gedaan heeft, dát mag de ultieme basis zijn voor hun geloof, en niet zozeer de bovennatuurlijke manifestatie van God de Vader. Vanuit dat geloof, als dat gefundeerd is in deze openbaring, namelijk de openbaring van Jezus Christus, zullen zij ook in staat zijn grote werken te doen, wellicht zelfs werken die groter zijn dan die van Jezus.

Als Jezus aan de discipelen uitleg geeft over de tijd die er aankomt, en hen wijst op het huis van de Vader, dan wordt in de verdere context nergens verwezen naar een utopische realiteit, straks in de hemel, maar worden zij gewezen op het geloof, dat zij nodig hebben om staande te blijven in deze wereld en daaraan gekoppeld de werken die zij mogen verrichten op basis van dat geloof. Zoals we zullen zien gaat het verdere verloop van dit gedeelte van het evangelie van Johannes over de tijd die aanbreekt als de Heilige Geest, de Geest der waarheid, de Trooster wordt gezonden naar deze wereld om bij hen te zijn, en hen in staat te stellen te leven in de realiteit van het Koninkrijk van God, terwijl ze fysiek nog steeds verbonden zijn met de fysieke realiteit van deze aarde. Het huis van Mijn Vader is dus de realiteit in geloof waarin wij vandaag mogen wandelen terwijl wij lichamelijk aanwezig zijn op deze aarde. In wat er hierna volgt in het evangelie van Johannes, in hoofdstuk 14 tot 17, legt Jezus uit hoe dat verder in zijn werk zal gaan.

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen

Misleiding van de dag

3Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs4de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
8Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. 9Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, 10en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. 11En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, 12opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.
(2 Thessalonicenzen 2:3-4; 8-12)

In relatie tot de eindtijd en de wederkomst van onze Heer wordt vaak deze tekst aangehaald. De menselijke geschiedenis zal uitlopen op de regering van de zogenaamde “antichrist”, hier in het aangehaalde gedeelte uit de brief aan de Thessalonicenzen “de mens van de wetteloosheid” genoemd. Eerder in de tekst wordt hij aangeduid als de “zoon des verderfs”, dit is een term die we maar twee keer tegenkomen in het nieuwe testament, namelijk hier en ook in Johannes 17 waar Jezus zijn hogepriesterlijk gebed uitspreekt:

 12Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. 
(Johannes 17:12)

Deze term slaat op Judas Iskariot, degene die Jezus verraden heeft. Deze Judas zou de enige zijn uit de kring van de discipelen die uit Judea afkomstig was. In verschillende bronnen wordt de link gelegd met Keriot of Kariot, een plaatsje in de buurt van Hebron, de overige discipelen waren afkomstig van Galilea, de regio waar ook Jezus was opgegroeid. De bijbel geeft ons naast deze uitspraak van Jezus een paar specifieke aanduidingen over Judas:

6Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam.
(Johannes 12:6)

Judas was dus geldzuchtig en corrupt. In Marcus 14 wordt het besluit van Judas om Jezus te verraden in verband gebracht met de zalving van Jezus in Bethanië door Maria. De zogenaamde verkwisting van de zeer kostbare nardusmirre zoals Judas dit aanduidt lijkt hiermee in het hart van Judas iets getriggerd te hebben wat hem deed besluiten om Jezus te verraden.

26Jezus dan antwoordde: Die is het, voor wie Ik het stuk brood indoop en wie Ik het geef. Hij doopte dan [het] stuk brood in en nam het en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27En na dit stuk brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doen wilt, doe het met spoed.
(Johannes 13:26-27)

Judas was als leerling van Jezus opgenomen in de intieme kring en aangesteld als apostel. Hij moet niet alleen de tekenen gezien hebben die Jezus deed, maar moet ook uitgezonden zijn geweest, vol van de kracht om zieken te genezen en demonen uit te drijven (zie Mattheus 10:1-4, Marcus 3:14-19, Lucas 6:12-16). Hij heeft dus alles van zeer dichtbij meegemaakt en toch gekozen voor verraad. Ditzelfde geldt ook voor de toenmalige cultuur, ook de tijdgenoten van Jezus hebben Hem op niet mis te verstane wijze leren kennen door alle tekenen die Jezus deed, en toch hebben zij in overgrote meerderheid Jezus afgewezen en de vroege kerk in Jeruzalem op niet mis te verstane wijze vervolgd. De algemene Messias-verwachting was gekoppeld geraakt aan het verlangen om eindelijk een keer bevrijd te zijn van de Romeinse overheersing. In alle vier de evangeliën wordt de intocht in Jeruzalem beschreven, het moet een enorme euforie met zich mee hebben gebracht, nu is het moment gekomen dat de Messias de Romeinen het land uit jaagt en het koningschap van David gaat herstellen. Als direct daarna blijkt dat Jezus niet aan deze verwachting gaat voldoen dan draait de atmosfeer om naar het tegenovergestelde, slechts een paar dagen later klinkt het “Kruisig Hem”. Ditzelfde moet ook een rol gespeeld hebben in het hart van Judas, toen Jezus in plaats van zijn rol op zich te nemen als de grote bevrijder, bij de discipelen de voeten gaat wassen, het is dan ook direct na deze gebeurtenis dat de duivel zelf het hart van Judas vervult (zie hiervoor Johannes 13:1-30). De grote valkuil was een misplaatste toekomstverwachting gebaseerd op Joodse traditie en niet op de bijbel. Het jodendom van die tijd verwachtte een aards koninkrijk terwijl Jezus een hemels koninkrijk te bieden heeft. Dit is wat Jezus verklaart tegenover Pilatus, de Romeinse stadhouder van Judea in die tijd:

36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. 37Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.
(Johannes 18:36-37)

In plaats van een fysieke vervulling van beloften, gekoppeld aan Jeruzalem en de tempel, duidt Jezus op een hemels koninkrijk.

En dan nu terug naar de begintekst. Ook vandaag de dag zien we weer dat er sprake zou moeten zijn van een fysieke vervulling van ‘bijbelse’ beloften, de oprichting van de huidige staat Israël in 1948 zou hiervoor de basis vormen. Vooral binnen het orthodox gereformeerde en evangelische deel van de kerk, met name in het westen, wordt weer geloofd in een fysiek koninkrijk in een aards Jeruzalem met een herstelde tempel als centrum van toekomstige eredienst en als residentie van de Zoon van David, vanwaaruit de wereld vrede zal ontvangen. Het volk Israël zou daarin weer een sleutelrol te vervullen hebben. In plaats van een nieuwtestamentische eschatologie, gebaseerd op de bijbel als geheel en gericht op een geestelijk koninkrijk en het nieuwe Jeruzalem in het centrum, hebben velen zich een eschatologie eigen gemaakt gebaseerd op Joodse traditie en Talmoedische uitleg van het oude testament, zonder rekening te houden met het nieuwe verbond dat ons aangereikt wordt in Christus en de manier waarop Jezus en de apostelen de toekomst beschrijven. De grote vraag bij mij is of dit gedachtegoed wellicht de leugen blijkt te zijn waar Paulus in de tekst voor waarschuwt. Wat als blijkt dat Jezus ook nu niet voldoet aan de valse verwachtingen die voortkomen uit een op Joodse traditie gebaseerde eschatologie? De Joden in de tijd van Jezus wezen Hem af op grond van deze misleiding, wellicht heeft dit bij Judas, de enige discipel afkomstig uit Judea, ook een rol gespeeld. Het jodendom van vandaag doet dit nog steeds, zij weigeren te geloven dat Jezus de beloofde Messias is.

Kenmerkend voor dit gedachtegoed, ook bij veel christenen, is de gedachte dat Jezus bij zijn wederkomst alsnog alles gaat realiseren wat men denkt dat de oudtestamentische profetieën  beloven. Hij gaat het Koninkrijk van God vestigen op aarde met Jeruzalem en een herbouwde tempel, en dus ook het volk Israël en het levitische priesterschap in het centrum hiervan. Men gaat er hierbij vanuit dat de beloften van God allemaal in vervulling zullen gaan omdat deze onvoorwaardelijk bestemd zouden zijn voor Israël, de gemeente zal daarbij hooguit een bijrol te vervullen krijgen. Als Jezus de confrontatie aangaat met het gedachtegoed over het Koninkrijk van God in die tijd dan spreekt Hij over de noodzaak om opnieuw en dat is uit God geboren te zijn en dat is geestelijk en niet fysiek. Als dat gold voor Nikodemus (zie Johannes 3:1-21) dan geldt dat nog steeds, ook voor het huidige fysieke Israël, en dat het beloofde Koninkrijk van God uitsluitend bestemd is voor hen die in Christus zijn.

11Hij kwam tot het zijne (zijn volk), en de zijnen (zijn volksgenoten) hebben Hem niet aangenomen. 12Doch allen, die Hem aangenomen hebben (zowel jood als heiden), hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden (of te zijn), hun, die in zijn naam geloven13die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.
(Johannes 1:11-13)

Het volk van God bestaat dus uit die mensen die in Jezus geloven en uit God geboren zijn en derhalve Zijn kinderen zijn. In de beschrijving van Johannes, zowel in het evangelie naar Johannes alsook de door hem geschreven brieven, wordt op geen enkele manier verwezen naar een fysieke vervulling van beloften, alles wordt betrokken op Jezus. Zeven keer legt Jezus uit dat Hij degene is waar het om draait en niet een fysiek Israël. Het evangelie van Johannes kent zeven ‘Ik ben’-uitspraken:

 – het brood des levens (Johannes 6:35)   (zonder Jezus geen verzadiging)
 – het licht der wereld (Johannes 8:12) (zonder Jezus alleen duisternis)
 – de deur voor de schapen (Johannes 10:9)  (zonder Jezus geen toegang)
 – de goede herder (Johannes 10:11)  (zonder Jezus geen leiding en regering)
 – de opstanding en het leven (Johannes 11:25-26)  (zonder Jezus alleen dood)
 – de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14:6)  (zonder Jezus geen toegang tot de Vader)
 – de ware wijnstok (Johannes 15:1-2) (Jezus het ware Israël)

Alle ogen lijken weer gericht op Israël en het Midden-Oosten en wat daar in de nabije toekomst staat te gebeuren. In dit proces verliezen we langzaam maar zeker het zuivere perspectief op Jezus, en dan bedoel ik op Jezus alleen. In onze eschatologie hoort Jezus en de huidige realiteit van het Koninkrijk van God  centraal te staan. Jezus is vandaag gezeten aan de rechterhand van de Vader, Hij regeert dus vandaag vanuit het hemelse Jeruzalem. Gefocust zijn op Israël ontneemt ons langzaam maar zeker het perspectief op het alles overtreffende nieuwe verbond in Christus. Nog een paar tekstaanhalingen uit de brief aan de Hebreeën, gericht aan de Joodse tijdgenoten van Paulus die voor zichzelf zouden moeten spreken:

6Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust7Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede.
13Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.
(Hebreeën 8:6-7; 13)

2Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods
(Hebreeën 12:2)

22Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, 23en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, 24en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.
25Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt). 26Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. 27Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is.
28Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, 29want onze God is een verterend vuur.
(Hebreeën 12:22-29)

Als ik dan terug ga naar de tekst aan het begin van dit betoog, naar de stelling van Paulus dat misleiding gekoppeld is aan het ontvangen van de liefde voor de waarheid en dat het God zelf is die ons naast de waarheid ook de leugen aanbiedt, dan is dit een soort testcase voor ons hart. God dwingt niet, Hij laat de keus aan ons. De keus om Israël weer in het centrum van ons geloof te plaatsen is een keus voor de wet en het willen volbrengen ervan in eigen kracht en staat gelijk aan het vasthouden aan het inferieure oude verbond, hoe goed de bedoeling ook mag zijn. Dit was de spagaat waar de tot geloof gekomen Joden, ofwel Hebreeën, mee te dealen hadden. In hun tijd stond de tempel nog en alle dynamiek rondom de tempeldienst was nog dagelijkse praktijk. De overgrote meerderheid van de Joden hield hieraan vast en dit gold ook voor tot geloof gekomen Joden in Jeruzalem.

5Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden.
(Handelingen 15:5)

20En zij loofden God, toen zij dit hoorden, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet
(Handelingen 21:20)

De Joodse gelovigen leefden in de tijd waarin alles rondom het oude verbond nog actueel was terwijl zij wel deel hadden gekregen aan het nieuwe verbond in Christus. Je zou kunnen zeggen dat in deze fase de voortzetting gedoogd werd door God zolang het restant van het oude verbond nog niet was vernietigd. We hebben kunnen lezen dat Paulus aangeeft dat datgene wat verouderd is op het punt staat om te verdwijnen, de vernietiging van Jeruzalem en haar tempel in het jaar 70 maakte definitief een einde aan deze spagaat. Vanaf dat moment is het oude definitief verdwenen. Nu in deze tijd menen dat we terug moeten naar een fysieke tempel in een aards Jeruzalem en een fysiek volk Israël, staat gelijk aan het terug willen draaien van het oordeel dat God toen over het kleine overblijfsel van Israël bracht. Daarmee zeggen we feitelijk dat God er destijds niet goed aan heeft gedaan en nu maar op  zijn schreden moet terug keren, het (mindere) oude verbond weer in ere zou moeten herstellen en dat het (betere) nieuwe verbond niet toereikend zou zijn voor ons mensen, al helemaal niet voor Israël en de Joden. Ik hoor het heel vaak: “God heeft een plan met Israël”, wat zegt Jezus hiervan?

16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. 17Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde.
(Johannes 3:16-17)

God heeft van begin af aan een plan gehad met de wereld, Israël heeft daar tijdelijk een rol in mogen vervullen, maar met de komst van Jezus is de specifieke rol van het oude Israël gekoppeld aan het oude verbond uitgespeeld. De opdracht is veranderd, dit is wat Jezus gaf als opdracht aan de nieuw te vormen gemeente:

19Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. 20En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.
(Mattheus 28:19-20)

Jezus Christus alleen, en het plan van God met deze wereld staat centraal, het gaat alleen om Hem.

Jezus alleen!!!!

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen

Hij moet wassen

 28Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden. 29Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld. 30Hij moet wassen, ik moet minder worden.
(Johannes 3:28-30)

Bovenstaande tekst is een uitspraak van Johannes de Doper waarin Johannes zichzelf aanmerkt als vriend van de bruidegom. De bruidegom in deze tekst is “de Christus”, namelijk Jezus van Nazareth. De laatste jaren is binnen het theologische gedachtegoed, zowel in streng gereformeerde hoek als ook veel evangelisch georiënteerde groepen, het idee omarmd dat de bruid het volk Israël zou vertegenwoordigen en dat de gemeente van Jezus Christus gezien moet worden als mede-erfgenaam van de belofte, maar niet als de primaire erfgenaam. God belooft immers bij monde van de profeet Hosea dat Hij Israël tot bruid zal nemen:

18Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; 19Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE kennen.
(Hosea 2:18-19)

De gedachte is dat deze belofte betrekking heeft op de huidige staat Israël en het Joodse volk en niet zozeer geldt voor de gemeente.

Om een en ander eerst maar in historisch perspectief te plaatsen is het zaak om terug te gaan naar de verbondsluiting met het volk Israël ten tijde van Mozes. Het volk Israël is net uitgeleid uit Egypte en door Mozes bij de berg Sinaï gebracht alwaar het volk een ontmoeting heeft met God. Het moment van verbondsluiting moet gezien worden als het voltrekken van een huwelijk tussen God en het volk. Het volk echter heeft zich in overgrote meerderheid niet gehouden aan de voorwaarden die verbonden zijn met een huwelijk, namelijk dat het volk exclusief verbonden zou zijn met God.

3Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: 4gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.
(Exodus 19:3-6)

Op verschillende plaatsen in het oude testament wordt het niet naleven van dit verbond door God bij monde van de profeten vergeleken met overspel. Het gevolg is dan ook dat het huwelijk tussen God en zijn volk wordt ontbonden, het huis van Israël, bestaande uit 10 stammen, wordt in 722 voor Christus door de Assyriërs in ballingschap gevoerd, het huis van Juda door de Babyloniërs, zo’n 150 jaar later. Er is hierna dus ten diepste geen sprake meer van een huwelijk met het volk als geheel. Slechts een klein overblijfsel mag na de ballingschap in de tijd van Ezra en Nehemia terugkeren naar het land en de stad om de tempel te herbouwen en de tempeldienst te herstellen. Israël is sindsdien nooit meer een zelfstandige natie geweest met een eigen koning. Het overblijfsel, het Joodse volk, heeft opeenvolgend deel uitgemaakt van verschillende rijken, als laatste natuurlijk het Romeinse rijk ten tijde van het optreden van Johannes de Doper en ook Jezus.

Johannes de Doper is degene die geroepen is om de heraut te zijn om de komst van de Messias aan te kondigen. Johannes wordt door Jezus de grootste profeet ooit genoemd

10Deze is het, van wie geschreven staat:
Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal.
11Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij. 
(Mattheus 11:10-11)

Deze grote Johannes noemt zichzelf “vriend van de bruidegom” en geeft daarmee aan dat hij geen onderdeel uitmaakt van de bruid. Het hele oude testament loopt uit op de komst van Johannes, de grootste profeet ooit omdat hij de Messias daadwerkelijk mag zien en aankondigen. Als Johannes zichzelf niet ziet als onderdeel van de bruid dan geldt dat ook voor de rest van het Joodse volk. Het oude verbond wat door Israël is verbroken wordt vervangen door een nieuw verbond, een nieuw verbond niet gebaseerd op het bloed van dieren, maar gebaseerd op het bloed van Jezus. Voor het overblijfsel van Israël, het Joodse volk, is alleen herstel mogelijk als zij zich in geloof voegen bij Jezus Christus en door de heilige Geest onderdeel worden gemaakt van dat nieuwe lichaam, de gemeente. Het fysieke volk is door God  de wereld in gejaagd, Hosea noemt dit de woestijn (zie Hosea 2:13-14), om daar door het evangelie gelokt te worden om deel uit te maken van het nieuwe huwelijksverbond.

 6Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust7Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede
(Hebreeën 8:6-7)

Dit nieuwe betere verbond is bestemd voor het geestelijke nageslacht van Abraham, namelijk de gemeente van Jezus Christus

26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad (nageslacht) van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:26-29)

Deze gemeente bestaat zonder welk onderscheid dan ook uit Joden en heidenen samengebracht door de Geest op basis van het geloof in Jezus Christus.

Nu terug naar het begin van mijn betoog. Door de huidige staat Israël en het Joodse volk te zien als hoofderfgenaam van bijbelse beloften maken we Israël groter dan Jezus. Velen in onze kerken zijn meer bezig met wat er in het Midden-Oosten plaatsvindt dan dat zij gericht zijn op Jezus. Wat er ontstaat is dat we Israël en het oude verbond weer laten groeien en dat de focus op Jezus Christus stukje bij beetje naar de achtergrond verdwijnt. Er worden op grote schaal weer speciale bidstonden georganiseerd voor Israël, Israël is tenslotte het volk van God. Elke vorm van kritiek op het beleid van de Israëlische regering en het Israëlische leger wordt afgedaan als antisemitisme. Wat we nalaten is benadrukken dat God terecht het volk heeft geoordeeld en dat vergeving en herstel voor dit door God vervloekte volk slechts gevonden kan worden in het evangelie van Jezus Christus en dat buiten Hem geen redding te vinden is.

8…Oversten van het volk en oudsten, 9indien wij thans in verhoor genomen worden ter zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, 10dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, dat door die naam deze hier gezond voor u staat. 11Dit is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden. 12En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden.
(Handelingen 4:8-12)

Dit was de boodschap die de Joodse leiders en het overblijfsel van Israël in Jeruzalem te horen kreeg bij monde van de apostelen direct na de uitstorting van de Geest van God. Deze Jezus moet volgens Johannes groter worden en hij, en dat geldt voor het hele volk Israël, moet minder worden. Het wordt tijd om de focus weer terug te brengen naar Jezus alleen. In Handelingen 1 vroegen de apostelen zich af of de tijd dat het koningschap van David hersteld zou worden nu aangebroken was:

6…Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. 9En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.
(Handelingen 1:6-9)

Het antwoord was tweeledig, tijden en gelegenheden zijn niet aan jullie maar alleen aan de Vader, voor jullie ligt de wereld open om daar getuige te zijn van Jezus en het evangelie. Wat Jezus vervolgens voor hun ogen doet is niet de troon in Jeruzalem bestijgen, maar Hij stijgt zichtbaar op naar de hemel om zich te zetten aan de rechterhand van de Vader. Niet het oude aardse Jeruzalem maar het nieuwe hemelse Jeruzalem is de eeuwige residentie van de Koning der Koningen, totdat Hij komt om te oordelen en alles wat Hem toebehoort te leggen in de hand van de Vader.

In Hebreeën 11 wordt een scala aan getuigenissen weergegeven van mensen die in geloof zich onderworpen hadden aan God binnen het kader van het oude testament. Al deze mensen hebben zich uitgestrekt naar dat wat God beloofd heeft, maar het beloofde nooit gekregen.

39Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, 40daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.
(Hebreeën 11:39-40)

Het “niet zonder ons” in deze tekst duidt op de realiteit waarin wij als gemeente mogen leven en getuigen door het geloof in Jezus Christus. In het hoofdstuk dat hierop volgt worden we uitgedaagd om in navolging van al deze oudtestamentische getuigen ons oog uitsluitend te richten op Jezus

1Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. 2Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. 3Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.
(Hebreeën 12:1-3)

Door alleen gericht te zijn op Jezus komen de beloften, waar de oudtestamentische getuigen alleen maar aan mochten ruiken, nu binnen ons handbereik. Israël in het oude testament was slechts een intermezzo wat vooruit mocht kijken naar de komst van Jezus en het Koninkrijk van God wat realiteit geworden is in Hem. Het oude, hoe groot het ook geweest mag zijn, mag naar de achtergrond verdwijnen en plaats maken voor het veel grotere dat verbonden is met Jezus Christus en zijn Koninkrijk. Hij, namelijk Jezus Christus, moet wassen, dat betekent dat we niet kunnen toestaan dat de centrale focus weer terug gebracht wordt naar Israël, het beloofde nageslacht van Abram. Paulus noemt in de eerder genoemde tekst uit Galaten 3 de gemeente het nageslacht van Abraham. God verandert de naam Abram in Abraham en vergroot het zicht op één volk, namelijk Israël, naar een menigte van volken, de gemeente van Jezus Christus.

3Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem: 4Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; 5en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. 
(Genesis 17:3-5)

De beloften gegeven aan Abram worden in grote mate overtroffen door de beloften die God geeft aan Abraham.

Dus de conclusie is:

30Hij (Jezus) moet wassen, ik (Israël) moet minder worden.
(Johannes 3:30)

Geplaatst in Zonder categorie | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hebreeuws alfabet

Een aantal jaren geleden raakte ik meer en meer onder de indruk van de Hebreeuwse taal. In veel kringen is men vanwege de liefde voor Israël de Hebreeuwse taal steeds meer gaan benadrukken, dat gold ook voor mij. Nagenoeg het hele oude testament is oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven en door verder in te zoomen op de rijkdom van de Hebreeuwse taal lijkt het mogelijk om door te dringen naar diepere lagen, verborgenheden in de tekst die de oppervlakkige lezer zou missen. Hoe zou dit dan werken?

Elk woord in de Hebreeuwse taal is gebaseerd op een basiswoord meestal bestaande uit twee of drie letters. De tweeëntwintig letters zouden dan elk een aparte betekenis hebben die , als je die samen brengt een diepere en meer accurate betekenis van het woord zouden geven.

Om een voorbeeld te geven gaan we naar hetzelfde woord wat we in het vorige blog mee geconfronteerd werden namelijk “in het begin”  in het Hebreeuws  בראשׁי(Bereshith), het eerste woord in de bijbel. Dit woord is een samenstel van vijf letters, namelijk: ב(Beth), deze letter staat voor “huis” en wordt ook gebruikt als voorzetsel “in”, en dat geldt ook hier in dit verband. De volgende letter is ר(Resh), deze letter vertegenwoordigd “het hoofd van een man”. De derde letter is de letter א(Aleph), dit is het plaatje van een “ossenkop”, dit vertegenwoordigt kracht. De vierde letter is שׁ(Shin), deze letter heeft de betekenis van “scherp” of “doordringend”. De laatste is de letter י(Yod), dit vertegenwoordigt een “arm” of “hand”. Door de verschillende betekenissen van de woorden die door de letters worden vertegenwoordigd te combineren zou op deze manier veel meer uit de tekst gehaald kunnen worden, dan dat er oppervlakkig gezien lijkt te staan. Ik laat het hier bij en ga hier verder niet specifiek op in.

Lange tijd ben ik onder de indruk geweest en ben ik op zoek geweest naar deze diepere betekenis, omdat ik meende daardoor dieper inzicht te krijgen in de oorspronkelijke tekst en haar betekenis. Wel heeft dit diep van binnen aan mij geknaagd alsof ik door had dat ik door het zoeken naar het hogere de simpele tekst over het hoofd begon te zien. Het breekpunt kwam bij mij toen ik een keer mijn kleindochter hoorde lezen, ze was toen net begonnen met leren lezen, ze las toen voor zoals dat op school wordt geleerd, als voorbeeld gebruik ik het woordje bal: ‘b’, ‘a’, ‘l:  ‘bal’. Elke letter vertegenwoordigt een speciale klank, door deze klanken te combineren was zij in staat om het woord te lezen en te begrijpen, zelfs op zeer jeugdige leeftijd. Op dat moment kwam voor mij de vraag op of ditzelfde wellicht ook zou gelden voor het oude Hebreeuws en dat het zoeken naar meer niet een verrijking zou inhouden, maar juist een verarming door iets te zoeken wat nooit bedoeld is, een soort luchtkasteel dus. Ik realiseerde me dat we in de bijbel worden opgeroepen om te schrijven:

4Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! 5Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat. 8Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, 9en gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.
(Deuteronomium 6:4-9)

Iedere Israëliet was kennelijk in staat om te schrijven, anders zou de opdracht om op de deurpost te schrijven onzinnig zijn geweest. Wat ik later steeds meer begon te zien was dat elke letter in het Hebreeuws niets meer te betekenen heeft dan de klank die hij vertegenwoordigt. Er zijn aanwijzingen dat de oudste Hebreeuwse inscripties die gevonden zijn in de mijnen van de Sinaï-woestijn, geschreven door mijnwerkers, dateren uit de tijd van Jozef in Egypte. Dit zou kunnen inhouden dat dit zogenaamde klank-alfabet aan de wereld gegeven is om iedereen al van jongs af aan in staat te stellen om te lezen en te schrijven, zodat de bijbel, het woord van God voor iedereen in Israël beschikbaar was. De letters van ons alfabet zijn te herleiden naar het oorspronkelijke zogenaamde Paleo-Hebreeuws en zijn via het Grieks in onze taal terecht gekomen. Een voorbeeld is de oude Hebreeuwse letter א (Aleph) in het Paleo-Hebreeuws weergegeven als  𐤀, er is niet veel fantasie nodig om onze letter ‘A’ daarin te herkennen, en dat geldt voor alle letters en cijfers. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het oude Hebreeuwse klank-alfabet door God gegeven is aan de Israëlieten in de tijd van Jozef en dat Mozes en het volk Israël in staat waren om te lezen en te schrijven en dat wij mee mogen liften op deze van God gegeven genade die ook ons in staat stelt om al op zeer jonge leeftijd de bijbel te kunnen lezen. Trouwens in het begin, toen door de boekdrukkunst de bijbel beschikbaar kwam voor iedereen, werd op de scholen de bijbel gebruikt om kinderen lezen en schrijven bij te brengen.

Persoonlijk ben ik dan ook tot de conclusie gekomen dat de meest simpele voor de hand liggende betekenis meestal de juiste is. Als we terug gaan naar het begin dan is mijn conclusie dat het woord בראשׁי(Bereshith),gewoon de betekenis heeft die onze vertalingen er aan geven namelijk  “in den beginne” of “in het begin” en dat het zoeken naar al die dingen waar de Joodse cultuur met hun ‘Pardes’ en ‘Gematria’ prat op gaat en wat ook in zogenaamde Messiaanse kringen erg gewaardeerd wordt, te begrijpen is als een soort afgoderij die zijn oorsprong vindt in Joods gedachtegoed, namelijk dat zij, in tegenstelling tot de overige volken in de wereld, het uitverkoren volk zijn en dat hun taal de enige zou zijn die het woord van God goed zou kunnen weergeven.

Ik wil afsluiten met de constatering dat hiermee nog lang niet alles is gezegd over hoe de bijbel geïnterpreteerd moet worden, in een volgend blog ga ik hier verder op in. Ik wil afsluiten met een kernachtige tekst in de bijbel die aangeeft hoe belangrijk de bijbel echt is om te weten wat belangrijk is en welke weg we te gaan hebben:

105Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
(Psalm 119:105)

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen

Joodse schriftuitleg

De laatste jaren zien we meer en meer de gedachte opkomen dat we de bijbel moeten uitleggen vanuit een Joods raamwerk. De reden die daarvoor wordt aangegeven is het feit dat de bijbel geschreven is door Joden en dus alleen begrepen zou kunnen worden vanuit een Joodse mind-set. Als wij met een westerse manier van denken de bijbel benaderen dan zouden wij de bijbel tekort doen. Voor dat ik inga op deze stelling wil eerst een voorbeeld geven van Joodse interpretatie van de tekst van de bijbel. De methode die door hen wordt gebruikt  wordt weergegeven door de term PARDES die een afgekorte weeggave is van de verschillende niveaus van uitleg die van toepassing zijn op elke tekst. Eerst maar even een uitleg van het begrip:

PaRDeS

Peshat (פְּשָׁט‎)    – “oppervlakte” (“recht”) of de letterlijke (directe) betekenis.

Remez (רֶמֶז‎)      – “hints” of de diepe (allegorische: verborgen of symbolische) betekenis die verder gaat dan alleen de letterlijke betekenis.

Derash (דְּרַשׁ‎)      – van het Hebreeuwse darash: “navragen” (“zoeken”) – de vergelijkende (midrashische) betekenis, zoals gegeven door soortgelijke gebeurtenissen.

Sod (סוֹד‎)             – “geheim” (“mysterie”) of de esoterische/mystieke betekenis, zoals gegeven door inspiratie of openbaring.

Op de website CHABAD.ORG is deze methode nader uitgelegd en geïllustreerd aan de hand van Genesis 1:1.

De Thora is G-ds wijsheid. Het intellect staat van nature verschillende manieren van begrip toe – en vereist deze zelfs – en dat geldt des te meer wanneer het gaat om de oneindige wijsheid van de Oneindige G-d.

Onze wijzen leren ons dat de Thora op vier verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd: peshat, remez, drush en sod.

1) Peshat is de eenvoudige interpretatie van de Thora. Wanneer het vers zegt (Genesis 1:1) dat “In het begin schiep God de hemel en de aarde”, betekent dit precies wat het lijkt te betekenen, in zeer letterlijke zin.

Binnen deze vier methoden om de Thora te begrijpen, bestaan er talloze mogelijke manieren van begrip

2) Remez zijn de verschillende hints en toespelingen die in de Thora voorkomen. Een van de methoden die de Thora gebruikt om deze hints te geven, is gematria, de numerieke waarde van de letters van het Hebreeuwse alfabet. De gematria van “Bereshit bara” (“In het begin schiep Hij”) is bijvoorbeeld hetzelfde als “b’Rosh Hashanah nivra ha’olam” (op Rosj Hasjana werd de wereld geschapen)!
Bijvoorbeeld de getalswaarde van Bereshit bara en b’Rosh Hashanah nivra zijn beide 1116.

3) Drush (of Midrash) geeft uitleg over de diepere betekenis van het vers. Het Hebreeuwse woord voor “In het begin” is bereshit. De midrash vertelt ons dat dit woord in twee woorden kan worden opgesplitst: b reshit. De Thora vertelt ons dat de wereld werd geschapen voor twee (“b”) “reshit”s (“eerste”) – de Joden en de Thora. Hoewel dit niet de eenvoudige interpretatie van het woord is, is het niettemin een ware en geldige manier om de Thora te begrijpen.

4) Sod (geheim) is het esoterische, mystieke aspect van de Thora. De Tikkunei Zohar (een boek dat zeventig (!) verschillende esoterische verklaringen geeft voor het woord bereshit) legt uit dat het woord bereshit ook kan worden opgesplitst in “bara shis” (geschapen [met] zes). Dit komt omdat de wereld werd geschapen door middel van Gods zes emotionele krachten: vriendelijkheid, strengheid, schoonheid, overwinning, pracht en fundament.

Binnen deze vier methoden om de Thora te begrijpen, bestaan er talloze mogelijke manieren van begrip. Bijvoorbeeld: er zijn veel verschillende manieren om de Thora te begrijpen volgens Peshat. Daarom zijn er veel Thora-commentatoren die zich concentreren op Peshat – Rashi, Ibn Ezra, Rashbam en nog vele anderen – en zij zullen het vaak (het lijkt erop dat dit vaker wel dan niet het geval is…) oneens zijn over de letterlijke betekenis van een vers. Volgens de kabbalistische leer zijn er zelfs 600.000 manieren om Peshat te begrijpen, 600.000 manieren om Remez te begrijpen, 600.000 manieren om Drush te begrijpen en 600.000 manieren om Sod te begrijpen!

Elk inzicht in de Thora is aanvaardbaar, zolang het (logisch is en) niet in tegenspraak is met onze fundamentele overtuigingen.

Onze wijzen zeggen ons dat “elk chiddush (nieuw idee) dat een gerenommeerde leerling ooit zal bedenken, al door Mozes op de Sinaï is gegeven.” Mozes heeft dit specifieke idee, dat de rabbijn die duizenden jaren later leefde zojuist heeft bedacht, misschien niet gehoord, maar de basis van dit idee was al door de Sinaï gegeven.

G‑d gaf ons de middelen om ons te verdiepen in de woorden van de Thora en de goddelijke wijsheid die daarin verborgen ligt te onthullen.

Als het echter om de halacha gaat, is er maar één waarheid. Want terwijl de Thora Gods wijsheid is, die, zoals hierboven vermeld, verschillende meningen toestaat, is de halacha (niet het intellect, maar) Gods wil. En wil is absoluut en laat geen twee manieren toe om naar dingen te kijken.

Als je deze methode noodzakelijk vindt dan is te begrijpen dat de tekst van de bijbel uitsluitend mag worden uitgelegd door geestelijke deskundigen, de bijbel noemt hen schriftgeleerden. Op basis van bovenstaande heeft elke tekst op z’n minst 70 verschillende manieren van uitleg die allemaal valide zouden zijn. Binnen het Jodendom mag de Torah dan ook uitsluitend bestudeerd worden onder toezicht van de Rabbijnen, het bestuderen van de Torah zonder dit toezicht zou dan ook strafbaar zijn. Ik ben de gedachte al een keer tegen gekomen dat de Torah gezien zou moeten worden als een soort code die alleen door deskundigen te ontrafelen zou zijn. Trouwens, vergelijkbaar gedachtegoed is terug te vinden in de Rooms Katholieke traditie die het bestuderen van de bijbel uitsluitend wil overlaten aan de ingewijde geestelijkheid, in de tijd van de middeleeuwen was het bezitten van een bijbel zelfs strafbaar, je kon ervoor op de brandstapel gezet worden.

We weten vanuit het nieuwe testament dat Jezus met zijn onderwijs voortdurend in conflict kwam met de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus, en dat geldt natuurlijk ook voor de discipelen, hebben geen opleiding genoten op een van de opleidingsscholen, er werd dan ook denigrerend over hen gedaan.

45De dienaars dan gingen naar de overpriesters en Farizeeën en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet medegebracht? 46De dienaars nu antwoordden hun: Nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt! 47De Farizeeën dan antwoordden hun: Zijt gij soms ook verleid? 48Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën? 49Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!
(Johannes 7:45-49)

In de ogen van de overpriesters en de Farizeeën was het gewone volk vervloekt en niet in staat om geestelijke zaken werkelijk te begrijpen. Jezus tapt echter uit een ander vaatje:

25Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard26Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.
(Mattheus 11:25-26)

Paulus heeft hetzelfde gedachtegoed omarmd als hij uitleg geeft in de brief aan de Korintiërs:

18Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. 19Want er staat geschreven:
Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen.
20Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven.
(1 Korintiërs 1:18-21)

De zogenaamde wijzen en verstandigen, en daar vallen ook de Joodse leiders onder en niet alleen de filosofen van die tijd, zijn volgens Paulus niet in staat om het evangelie te begrijpen. Het begrijpen van het evangelie, het begrijpen van de bijbel is voorbehouden aan eenvoudige mensen, die geloven. Dit was ook een van de aspecten die van belang waren tijdens de reformatie, de bijbel kwam vanwege de vertaling in onze eigen talen samen met de ontwikkeling van de boekdrukkunst beschikbaar voor iedereen.

Jezus beschuldigt de schriftgeleerden en de Farizeeën van het verafgoden van de schriften:

39Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen40en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben.
(Johannes 5:39-40)

Hij verwijt hen dat er leven te vinden zou zijn in de schriften, echter wat zij niet begrijpen is dat niet de schriften maar Jezus eeuwig leven in zich bergt:

3Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
(Johannes 17:3)

Een Jood, hoe diep hij ook in de schriften is, heeft zonder Jezus geen deel aan het eeuwige leven, en als wij als christenen menen dat wij te rade moeten gaan bij de Joden en hun manier van schriftuitleg dan verliezen wij langzaam maar zeker het zuivere perspectief op Jezus en de manier waarop Jezus en de apostelen met de inhoud en de tekst omgaan. Ik wil eindigen met de woorden van Petrus, hij waarschuwt de mensen voor het omarmen van sprookjes, die een eigenmachtige uitleg van de bijbel met zich mee brengen, en dat geldt niet alleen voor ons en ons westerse perspectief, maar ook voor  het Joodse perspectief.

16Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. 17Want Hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. 18En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren. 19En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. 20Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; 21want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.
(2 Petrus 1:16-21)

In een volgend blog wil ik ingaan op de bijbeluitleg zoals ik denk dat die zou moeten zijn.

Geplaatst in Zonder categorie | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Joodse Bijbelinterpretatie

De laatste jaren worden we in christelijke kring om de haverklap geconfronteerd met de suggestie dat we terug zouden moeten naar een Joodse manier van kijken met betrekking tot de interpretatie van de bijbel. In de beleving van de voorstanders van dit standpunt hebben wij de bijbel te danken aan de Joden, wij heidenen zouden derhalve niet goed in staat zijn om de bijbel op de juiste manier uit te leggen. Ik heb al een keer de uitspraak gehoord:

”Als we nu eerst de uitleg van de door Joden geschreven teksten eens aan de Joden overlaten, dan kunnen we daarna de teksten die geschreven zijn door heidenen dan maar door hen laten uitleggen”.

We weten natuurlijk dat de bijbel, zo niet helemaal dan wel voor het overgrote deel te danken is aan Israëlieten of Joden, het evangelie van Lucas zou eventueel een uitzondering kunnen zijn omdat hij gezien wordt als een niet-jood, echter zijn er ook serieuze argumenten voor de suggestie dat ook Lucas een Jood was, in het laatste geval is dan het hele nieuwe testament geschreven door Joden. Het gevolg van deze redenatie is dat velen te rade gaan bij de Rabbijnse Joden om door hen de schriften uitgelegd te krijgen. De vraag die mij bezig houdt is of deze gang van zaken wel klopt en of we zo wel op het juiste spoor zijn aanbeland.

Eerst maar even de bijbel zelf, wat zegt de bijbel hierover:

1Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.
(Romeinen 3:1-2)

 4immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: 5hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.
(Romeinen 9:4-5)

De beide in deze teksten benoemde aspecten zijn feitelijk, namelijk dat de Joden de zorg hadden voor de woorden van God en dat uit hen de Christus is voortgekomen. Zonder de Joden zouden we geen Schriften hebben, in deze context wordt in eerste instantie het oude testament bedoeld, en zou ook de Messias niet geboren zijn. Kennelijk hebben we veel aan hen te danken, in die zin klopt het bovengenoemde argument. Echter wat we ons vaak niet realiseren is dat het huidige Jodendom niet gezien kan worden als een voortzetting van het Israël van het oude testament. Al in de tijd van de koningen heeft God afscheid genomen van het huis van Israël.

 8Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; 
(Jeremia 3:8)

Het huis van Israël was zover gegaan in haar afgoderij dat God besloten heeft een einde te maken aan het (huwelijks)verbond met het huis van Israël. Hoewel het huis van Juda het in geen enkel opzicht beter deed, lijkt het erop dat God in die tijd van hen nog geen afscheid heeft genomen. Het huis van Israël is tot op de dag van vandaag niet meer teruggekeerd terwijl het huis van Juda, de Joden, na de ballingschap nog 490 jaar respijt heeft gekregen en dat God pas afscheid van hen heeft genomen in het jaar 70 AD toen Jeruzalem en haar tempel met de grond gelijk zijn gemaakt vanwege het feit dat zij in meerderheid Jezus hebben afgewezen als Messias. Zowel Johannes de Doper in Mattheus 3 alsook Jezus in Lucas 19 hebben dit aangekondigd:

7Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; 9en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. 10Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
(Mattheus 3:7-10)

41En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 43Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.
(Lucas 19:41-44)

Alleen de christenen onder de Joden zijn in die tijd, tijdens de verwoesting van Jeruzalem door God in veiligheid gebracht en definitief onderdeel gemaakt van het nieuwe verbond. Het overgrote deel van de Joden is omgekomen of in gevangenschap gevoerd, slecht een zeer klein deel van de Farizeeën is in staat gebleken om het oordeel te ontlopen. Rond het jaar 90 AD is deze groep bij elkaar gaan zitten om zich te bezinnen op de nieuw ontstane situatie. Jeruzalem bestaat niet meer, er is geen tempel meer en geen priesterdienst en hoe nu verder? Tijdens deze bijeenkomt is de basis gelegd voor wat nu het Rabbijnse Jodendom is. Er is in die tijd een synagogale liturgie ontstaan die de tempel en de priesterdienst moest vervangen totdat ooit de tempel zou zijn herbouwd en het priesterschap hersteld. De vraag is gerechtvaardigd of deze handelwijze rechtmatig is.

Op verschillende plaatsen in de wet wordt gerefereerd aan de plaats waar God zijn Naam doet wonen:

5Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee. 7Daar zult gij eten voor het aangezicht van de HERE, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft.
(Deuteronomium 15:5-7)

Het moge duidelijk zijn dat dit de plaats is waar God woont te midden van zijn volk, namelijk in eerste instantie de tabernakel van Mozes en later de tempel in Jeruzalem. Als Israël in ballingschap gevoerd wordt, wordt hen onder andere verweten dat zij de zonde van Jerobeam van Nebat hadden omarmd (zie hiervoor 1 Koningen 11-13 en 2 Koningen 17:21). Jerobeam had voor de Israëlieten een eredienst ingesteld los van de tempel in Jeruzalem, en dus ook los van de aanwezigheid van God, iets wat op grond van bovenstaande tekst een ernstige overtreding van de wet inhield. Het lijkt erop dat de Farizeeën zich door het optuigen van de synagogale liturgie schuldig maakten aan een vergelijkbare overtreding. Was er dan geen tempel meer of konden zij de ware tempel niet zien? Jezus verklaart zijn lichaam tot tempel en Paulus verklaart de gemeente tot huis van God.

 19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams.
(Johannes 2:19-21)

15Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.
(1 Timotheüs 3:15)

Voor ons allemaal, dus ook voor de Joden, is het voor een zuivere uitvoering van onze godsdienst van belang dat wij zoeken naar de plaats waar God zijn Naam doet wonen en dat is Jezus Christus, de ware tempel en Zijn gemeente als huis van God en niet de Joodse synagoge. De Joodse godsdienst is in deze zin fundamenteel in overtreding van de wet. Het optuigen van de synagogale praktijk is niets anders dan rebellie tegen God en Zijn geboden door te weigeren Jezus te aanvaarden als de plaats van aanbidding.

21Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden…
23
maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.
(Johannes 4:21; 23-24)

Hoewel ook het nieuwe testament te danken is aan Joden die het geschreven hebben, dan nog is het geschreven door Joden die deze nieuwtestamentische werkelijkheid kenden en hadden omarmd door Jezus Christus te aanvaarden. Dat betekent dat wij voor een juiste interpretatie van de bijbel niet bij de Joodse rabbijnen moeten zijn maar bij de Joodse apostelen die ons het nieuwe testament gegeven hebben. Waarheden die niet begrepen worden door de Rabbijnse Joden, zoals wie mag gelden als nageslacht van Abraham en wie de erfgenamen zijn van de beloften die God gegeven heeft aan de vaderen, Abraham, Isaak en Jacob, worden door Jezus en de Joodse apostelen van toepassing verklaard op Christus en zijn gemeente. Even een paar voorbeelden:

37Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen plaats vindt. 38Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw vader gehoord hebt. 39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. 41Gij doet de werken van uw vader.
 44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.
(Johannes 8:37-41; 44)

16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus…
26
Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:16; 26-29)

In beide situaties, zowel door Jezus als door Paulus, wordt er gesproken over het nageslacht van Abraham. Jezus verwijt de Joden dat, hoewel zij fysiek afstammen van Abraham, zij toch een andere vader hebben, namelijk de duivel, en Paulus spreekt over Christus en zijn gemeente als nageslacht van Abraham en als erfgenamen van de aan Abraham gegeven beloften. Petrus doet hetzelfde door de aan Israël gegeven belofte uit Exodus 19:4-6 van toepassing te verklaren op de gemeente, die in die tijd al voor een aanzienlijk deel uit niet-joden bestond:

7U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, 8voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. 9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.
(1 Petrus 2:7-10)

De gemeente wordt hier betiteld als volk van God, de christenen worden betiteld als priester en koning, heidenen die ooit niet behoorden tot het volk worden hier ondubbelzinnig tot heilige natie verklaard. Paulus noemt dit feit, namelijk dat het heil naar de volkeren is gegaan, een geheimenis.

 6(dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,
(Efeziërs 3:6)

1Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
(Hebreeën 1:1-2)

Jezus, de Zoon van God, is dus de Erfgenaam en de gemeente, deels bestaand uit heidenen, zijn mede-erfgenaam met Christus. Er zijn nog veel meer voorbeelden aan te geven die deze waarheid duidelijk maken. Het Rabbijnse Jodendom wijst deze realiteit volledig af en kan derhalve niet dienen als bron voor waarheid en dus ook niet als basis voor schriftuitleg. Dit toch doen plaatst ons in een omgeving waarin we blootgesteld worden aan misleiding.

7Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. 8Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. 9Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. 10Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom11Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken.
(2 Johannes 1:7-11)

In overeenstemming met wat Johannes hier stelt is het ons niet toegestaan om bij mensen te rade te gaan die de leer van Christus niet omarmen, we mogen hen in hun hoedanigheid als leraar niet eens ontvangen in ons huis. Dat is van toepassing op alle soorten lering die Jezus niet belijden als  Zoon van God, naast veel ander onderwijs heeft dit ook betrekking op het Rabbijnse Jodendom. Niet doen dus!

In een later blog wil ik dieper ingaan op de Joodse manier van uitleg van de bijbel, maar ik wil het hier eerst bij laten.

Geplaatst in Zonder categorie | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vrede

Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen
(Lucas 2:14HSV)

De kerstdagen zijn weer achter de rug, we hebben weer genoten van de sfeer rondom lichtjes en groen, we hebben het nodige vuurwerk weer ontstoken, we staan nu dus aan het begin van een nieuw jaar. Traditioneel is dit een periode waarin vrede centraal staat. Zelfs tijdens de Vietnamoorlog werd er altijd een tijdelijk staakt het vuren afgekondigd om de gedachte aan vrede te benadrukken. Als ik vervolgens mag geloven wat Mark Rutte in een toespraak in Duitsland te berde bracht dan duidt hij op een aanstaande oorlog die de beide oorlogen uit de vorige eeuw zou overtreffen en dit komende jaar zou wel eens het begin daarvan kunnen zijn. We worden uitgedaagd om sneuvelbereid te zijn, alles lijkt erop gericht te zijn om ons klaar te stomen voor deze oorlog en ons daar achter te scharen. Vrede lijkt in deze retoriek ver te zoeken en dat allemaal omdat Poetin van Rusland uit zou zijn op oorlog met het westen. Er worden miljarden vrijgemaakt voor de ontwikkeling en opbouw van wapentuig, zogenaamd om ons klaar te stomen voor de aanstaande oorlog. Ook op andere plaatsen in de wereld is sprake van dreiging en oorlog met alle potentiële vernietiging die oorlog met zich mee brengt. De officiële cijfers voor het aantal doden in Gaza vanaf 7 oktober 2023 is rond de 75.000 doden, het merendeel daarvan is kinderen, ik ben ook deskundigen tegen gekomen die het aantal doden inschatten op 680.000, 380.000 daarvan zouden kinderen zijn. In Soedan zou sprake zijn van genocide, de VS stuurt ondertussen aan op een oorlog met Venezuela, zogenaamd vanwege de aanvoer van drugs dat zou plaats vinden via dat land. Israël is inmiddels de oorlog aan het uitbreiden richting Syrië en Libanon.

Hoe horen wij als christenen hierin te staan? Jezus zegt in de Bergrede:

Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.
(Mattheus 5:9)

Is dit ook datgene wat wij nastreven, hoe stellen we ons op zowel politiek als binnen de kerk, is alles gericht op het voorkomen van oorlog en het tot stand brengen van vrede? Als het gaat om Oekraïne, dan hoor ik alleen maar oorlogstaal, als het gaat om Gaza dan wordt het aantal doden gerelativeerd en goedgepraat, Soedan en Venezuela lijkt bijna geen aandacht voor te zijn en dat geldt ook binnen de kerken. Als wij claimen dat we Jezus volgen, betekent dat dan ook dat we doorhebben dat deze Jezus de Vredevorst genoemd wordt? Als ook wij ons bedienen van oorlogsretoriek zijn wij dan nog getuigen van Jezus de Vredevorst? Als wij het aantal doden in Gaza en Soedan goedpraten of bagatelliseren hebben wij dan nog iets te getuigen naar mensen met een andere achtergrond zoals moslims, kunnen wij hen dan nog duidelijk maken dat God liefde is en dat Jezus van hen houdt en zijn leven ook voor hen heeft gegeven? Kunnen wij kijkend naar de bovengenoemde tekst nog beweren dat we kinderen van God zijn als wij wegkijken of instemmen met al dit geweld? Jezus geeft naar Pilatus aan dat het Koninkrijk van God van een andere orde is:

Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
(Johannes 18:36)

We kennen de verhalen van het oude testament, verhalen zoals Gideon die de vijand versloeg met 300 man. Ook staan er beloften in de bijbel die duiden op overwinning tegen de druk in:

De HERE zal uw vijanden, die tegen u opstaan, verslagen aan u overleveren. Langs één enkele weg zullen zij tegen u optrekken, maar langs zeven wegen voor u vluchten.
(Deuteronomium 28:7)

En dit is kennelijk van toepassing voor het fysieke Israël onder het oude verbond, als het Koninkrijk van deze wereld zou zijn geweest zou niemand ook maar een schijn van kans gemaakt hebben om Jezus en zijn discipelen te verslaan. Wij hebben echter deel gekregen aan dat andere Koninkrijk, dat niet van deze wereld is en daar gelden nou eenmaal andere normen, geestelijk principes. Wij zijn in navolging van Jezus gericht op vrede en op het welzijn van mensen. Jezus kwam om te redden, te genezen en te bevrijden, dat hoort ook onze grondhouding te zijn. Als wij onszelf christen noemen en ondertussen niet diep van binnen hierop betrokken, zijn we dan wel werkelijk volgelingen van Jezus. Instemmen met dood en verderf of zelfs maar wegkijken, net doen of er niets aan de hand is, is dat waar we voor geroepen zijn? Onszelf angst laten aan praten voor de boze Poetin en de gevaarlijke moslims is dat hoe wij in de wereld dienen te staan? Of getuigen wij van Jezus en zijn Koninkrijk, ook als wij ons uitspreken in politieke zin? Dit is zoals Munther Isaac (منذر اسحق), de Lutherse voorganger uit het door muren omgeven Bethlehem het verwoordde:

Kerst is geen westers verhaal, maar een Palestijns verhaal.
“Deze kerst nodigen we de wereldwijde kerk – en in het bijzonder westerse christenen – uit om te onthouden waar het verhaal begon. Om te onthouden dat Bethlehem geen mythe is, maar een plaats waar nog steeds mensen wonen. Als de christelijke wereld de betekenis van Kerstmis wil eren, moet ze haar blik richten op Bethlehem – niet het Bethlehem uit onze verbeelding, maar het echte Bethlehem, een stad waarvan de inwoners vandaag de dag nog steeds schreeuwen om gerechtigheid, waardigheid en vrede.”

Durven wij ook in deze spiegel te kijken en te begrijpen dat onze getuigenis gaat over vrede, zonder onderscheid in etniciteit, gender of maatschappelijk status?  De vrede van Christus is bestemd voor alle mensen, ook die mensen die wij geneigd zijn te zien als onze vijanden. Mijn hart huilt als ik zie hoe vele zichzelf christen noemende mensen hierin lijken te staan. Volgen wij Jezus nog?

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen

De leraar van Israël

…Gij zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet?
…Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek?
(Johannes 3:10 en 12)

Jezus is in gesprek met Nikodemus, een overste uit Israël, een lid van het toenmalige Sanhedrin in Jeruzalem. Deze Nikodemus was ’s nachts naar Jezus toegekomen tijdens het feest van de ongezuurde broden, nieuwsgierig om te horen waar deze Jezus voor zou staan. Er ontspint zich een gesprek over het Koninkrijk van God. Jezus benadrukt in dit gesprek eerst welke voorwaarden van toepassing zijn om er deel van uit te kunnen maken. Jezus praat over wedergeboorte, geboren zijn uit de Geest. Uit dit gesprek wordt vooral duidelijk dat Jezus en Nikodemus volledig langs elkaar heen praten, Nikodemus begrijpt niets van wat Jezus zegt, en Jezus verwijt hem dat ook. Hij, als leraar van Israël, zou deze dingen moeten begrijpen, maar het tegendeel blijkt waar te zijn. Jezus probeert in dit gesprek duidelijk te maken dat het Koninkrijk van God een geestelijke, hemelse realiteit is en geen aardse. Je moet bedenken dat de Joodse toekomstverwachting er op gericht was dat het oude Israël onder David en Salomo op zeker moment weer in ere zou worden hersteld en dat zou realiteit moeten worden als de Messias zou verschijnen. Het verwijt van Jezus is dat ze van het aardse al niets begrepen hebben en dat ze daardoor ook niet in staat zouden zijn om datgene waar Jezus over spreekt te kunnen begrijpen. Kennelijk begrijpen ze de functie van het Mozaïsche verbond en de daaraan gekoppelde tempeldienst, die deel uit maken van het aardse, niet echt. In het gedeelte dat erop volgt legt Jezus de verbinding tussen de slang in de woestijn in de tijd van Mozes en het doel waar Hij voor gekomen is, daarmee wil Hij duidelijk maken dat de affaire met de koperen slang een plaatje is dat vooruit wijst naar de toekomst. Op die manier wil Jezus duidelijk maken dat datgene wat Israël in het aardse heeft meegemaakt, en dat geldt ook voor alle zaken rondom de priesterdienst en de tempel, plaatjes zijn van iets veel groters wat de beperkingen van ons fysieke bestaan verre te buiten gaat. Alles wat betrekking heeft op het Koninkrijk van God en het Evangelie is zo veel groter dan wat zij, de Joden in hun tijd konden begrijpen. Paulus legt op diverse plaatsen uit wat het verschil is tussen waar het in het oude testament om draaide en alles waar het nieuwe verbond voor staat. Ik zoom even in op een passage uit de brief aan de Hebreeën die gericht was aan de Joodse Christenen van die tijd:

1De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, 2de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.
3Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. 4Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er (hier reeds) zijn om volgens de wet de gaven te offeren. 5Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. 6Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust.
(Hebreeën 8:1-6)

Wat Paulus hier probeert duidelijk te maken aan Joden die deel uitmaakten van het verbondsvolk, dat de werkelijkheid waar wij deel van uitmaken eerst en vooral geestelijk en hemels is en ook nog veel beter dan het Mozaïsche verbond. Paulus gebruikt termen als ‘schaduw’ en ‘afbeelding, deze zijn te vergelijken met een foto. Je kunt heel blij worden van een foto, maar werkelijk deel uitmaken van de omgeving die op de foto staat overtreft natuurlijk alles. De geestelijke werkelijkheid waar Paulus aan refereert is datgene waar het allemaal om draait.

Terug naar Nikodemus, hij verwachtte het herstel van de oude glorie van Jeruzalem en David als haar koning, het herstel van het oorspronkelijke Israël dus. Jezus echter spreekt verderop over alle mensen op aarde, de wereld, en het heil dat voor hen bestemd zou zijn als zij in Hem als eniggeboren Zoon zouden geloven. Joden waren gewend geraakt aan het idee dat een leven met God uitsluitend voor hen bestemd zou zijn en dat de rest van de mensheid er eigenlijk niet toe doet, iets wat Joden getuige diverse uitspraken in de Talmoed nog steeds geloven, zij zijn het exclusieve uitverkoren volk, zij vinden van zichzelf dat zij ook genetisch van een hogere orde zijn, zij denken bij uitstek in staat te zijn zich aan de wetten van God te houden, heidenen zouden niet beschikken over deze kwaliteiten. Wat deze Joden niet begrijpen is dat zij zich beperken tot het herstel van het aardse en dat zij geen zicht hebben op het veel grotere hemelse wat aan Jezus Christus verbonden is.

Veel christenen zijn vanwege het omarmen van zionistisch gedachtegoed hier ook terecht gekomen. De toekomstverwachting die eeuwenlang uitsluitend betrekking had op de realiteit van het zijn in Christus en alles wat dat impliceert, gecombineerd met de verwachte wederkomst van Jezus, dit vervangen door weer verwachtingvol te gaan letten op de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de huidige staat Israël betekent dat velen daardoor het oorspronkelijke, geestelijk c.q. hemelse perspectief kwijt raken. Hun perspectief van het nieuwe verbond wordt langzamerhand steeds kleiner, het besef wat het betekent om in Christus deel uit te maken van het hemelse raken ze langzaam maar zeker kwijt. Maar even een tekst:

3Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
(Efeziërs 1:3)

19en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, 20die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, 21boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. 22En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.
(Efeziërs 1:19-23)

Het perspectief op deze huidige werkelijkheid wordt verdrongen door het zogenaamd toekomstige perspectief op Israël. De rijkdom die gekoppeld is aan het nieuwe verbond waar wij nu deel van uitmaken verdwijnt langzaam maar zeker.

Jezus probeert duidelijk te maken dat het hemelse wat gekoppeld is aan zijn komst datgene is waar alles om draait en dat het aardse alleen maar een plaatje is:

 19Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. 20Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; 21maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn.
(Johannes 3:19-21)

Het oude Jeruzalem en ook het huidige Israël maken deel uit van de beschreven aardse werkelijkheid die nog steeds gekoppeld is aan de duisternis. Jezus afwijzen heeft grote gevolgen voor iedereen, dan blijf je hangen in de duisternis. Als wij als christenen ons daar weer mee verbinden komen wij ook weer in duisternis terecht.

We zijn begonnen met de leraar van Israël die niet alleen geen oog heeft voor het hemelse, maar ook het aardse niet goed begrijpt. Menen dat we bij de joden te rade moeten gaan om inzicht te krijgen in bijbelse aangelegenheden, kan alleen maar tot gevolg hebben dat ons perspectief op Jezus Christus en het evangelie meer en meer gaat vertroebelen met alle gevolgen van dien.

24Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. 
(Galaten 4:24-26)

De keus is aan ons, van welke van de beide bedelingen willen wij ten volle deel uitmaken? Het oude Jeruzalem is in slavernij en dat geldt ook vandaag nog steeds, het hemelse Jeruzalem is vrij, dat is de plaats waar Jezus gezeten is en waar wij deel van uitmaken als wij werkelijk en uitsluitend in Hem zijn.

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen

De duisternis ontmaskeren

Als Johannes de Doper optreedt bij de Jordaan, daar mensen doopt als zij zich bekeren, komen er ook een groep Farizeeën en Sadduceeën naar hem toe om ook gedoopt te worden. Johannes is nogal direct naar deze groep godsdienstige leiders, (trouwens niet alleen naar deze groep, ook in het Lucas evangelie in hoofdstuk 3:7  gebruikt hij onderstaande bewoordingen voor de hele menigte). Hij betitelt hen als adderengebroed:


…Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt…
(Mattheus 3:7-8)

Door zich te bedienen van deze bewoordingen schuift hij deze groep vrome mannen in de hoek van de oude slang, de duivel dus.(Trouwens Jezus doet dat ook onder andere in Johannes 8:44 en Mattheus 23). Deze vrome mannen waren leiders in het toenmalige Judea en wellicht deel uitmakend van het Sanhedrin. Uiterlijk gezien waren deze mensen heel vroom en overtuigend, maar Johannes had door dat achter deze façade van vroomheid een satanisch iets schuil ging. Door hen te wijzen op hun vrucht, een vrucht die de komende toorn tot gevolg zou hebben, geeft hij aan hen aan dat uiterlijke vroomheid alleen het niet gaat maken, maar dat er een echte vrucht van bekering moet zijn om de komende toorn te kunnen ontgaan. Beide, de komst van de Messias en de verwoesting van Jeruzalem worden aangekondigd door de engel Gabriel in Daniel 9:24-27, en zijn dus nauw met elkaar verbonden.

Johannes de Doper had zoveel geestelijk inzicht dat hij direct door de façade wist heen te prikken. Wij in onze tijd hebben ook de opdracht om door dit soort zaken heen te kijken. Paulus waarschuwt ons:

 11En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, 12want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; 13maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.
(Efeziërs 5:11-13)

De grote vraag voor ons is waaraan wij datgene kunnen herkennen wat schuil gaat achter een masker van vroomheid, anders zullen wij ook niet in staat zijn de leugens te ontmaskeren. Hiervoor wil ik twee teksten aanhalen die voor ons behulpzaam kunnen zijn in het uitvoeren van de bijbelse opdracht:

17Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen.
(Mattheus 7:17-20)

14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ík heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken19Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen.
(Jakobus 2:14-19)

Waar moeten wij op letten? Op de uitwerking en niet op mooie praatjes. Als we kijken naar de uitwerking die de komst van het “uitverkoren volk” heeft voor de mensen die eeuwenlang in Palestina hebben gewoond , dan zien we alleen leugen, diefstal en moord. Gaza is met de grond gelijk gemaakt en de schattingen van het aantal doden aan Palestijnse kant lopen uiteen van 60.000 tot meer dan 600.000 mensen, velen daarvan vrouwen en jonge kinderen. Op dit moment worden in de zogenaamde Westbank Palestijnse huizen en bezittingen vernield en mensen vermoord, daaronder zijn ook christelijke dorpen die onder vuur worden genomen. De “fantastische, gezegende Joden” in Israël laten al meer dan 75 jaar een spoor van dood en verderf achter in dat gebied.

Maar ik kan ook wel wat dichter bij huis blijven. Persoonlijk hebben wij al een aantal maanden een vlag te hangen die een combinatie is van de Friese en de Palestijnse vlag, deze vlag is ontworpen voor de organisatie die zich “Friesland voor Palestina” noemt. Wij halen tegenwoordig ’s nachts de vlag binnen omdat hij al twee keer van de muur getrokken is, in eerst instantie belandde hij in de sloot en konden wij deze terug halen, in tweede instantie vonden wij de vlag totaal vernield terug. Wij waren dus genoodzaakt om een nieuwe vlag te kopen. De enige die ik kan bedenken die zich aan deze vorm van vandalisme schuldig zou willen maken is ofwel een Joodse Zionist of , en dat lijkt mij het meest waarschijnlijk, een Christen-Zionist, die vindt dat deze vlag er niet hoort te hangen en zich dus verlaagt tot het vernielen van andermans bezittingen en ons het recht te ontnemen over de situatie in het Midden-Oosten een andere mening te hebben. Jezus gebruikt in Johannes 8 duidelijke woorden als hij verwijst naar Abraham:

 …Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet.
(Johannes 8:39-40)

Abraham heeft zijn hele leven in vrede geleefd te midden van de Kanaänieten. Abraham heeft dus nooit iets gedaan om zich het “beloofde land” eigenmachtig toe te eigenen. Het was pas in de tijd van Mozes en Jozua, vierhonderddertig jaar later, dat er een goddelijke opdracht was om deze specifiek benoemde volken te vernietigen. Israël was in dit geval het instrument van Gods wraak over de zonden van deze volken. Echter als later de Israëlieten zich schuldig maken aan dezelfde zonden, komen ook zij onder het oordeel terecht. Een instrument zijn van Gods toorn zoals Israël dat was, brengt kennelijk verplichtingen met zich mee, er moet sprake zijn van heiligheid, anders mogen zij deze taak niet uitvoeren.

 17Voorts hadden zij hun zonen en dochters door het vuur doen gaan, waarzeggerij en wichelarij gepleegd en zich verkocht om te doen wat kwaad is in de ogen des HEREN en Hem daardoor te krenken. 18Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda.
(2 Koningen 17:17-18)

Los van wat ik eerder noemde, de huidige staat Israël is berucht vanwege de enorme LHBTQ gemeenschap vooral in Tel Aviv, waar jaarlijks de grootste gay-parade van de wereld is. Het aantal abortussen is nergens in de wereld zo groot als in Israël. Kijkend naar deze zaken en die dan spiegelen aan de eerder aangehaalde teksten, dan moet toch duidelijk zijn dat we hier niet kijken naar een gezegend volk maar een vervloekt volk?

Als ik dan te maken krijg met mensen die zich Christen noemen en dit op zijn best gedogen en vaak goed praten, en dat vaak ook nog van harte ondersteunen, mag ik dan op dezelfde manier de spiegel omhoog houden die Johannes de Doper, Jezus en Jakobus omhoog hielden naar hun volksgenoten?  Als iemand zich christen noemt en zich vervolgens laat verleiden om andermans spullen te vernielen, geeft zo iemand dan blijk van het feit dat hij christen is, of moeten we zo iemand in de hoek zetten waar Jezus de Joden neerzet, namelijk als kinderen van de duivel?

44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.
(Johannes 8:44)

Dit is hoe Jezus vrome, godsdienstige Joden betitelt, die elke sabbat in de synagoge te vinden zijn en in Jeruzalem aanwezig zijn voor de feesten, een of twee keer per week vasten, dagelijks de Torah bestuderen en deze, naar eigen zeggen, strikt in acht nemen. Waar staan wij dan als christenen als wij zonde goedpraten bij onszelf en bij anderen, is de vrucht die op die manier naar voren komt een vrucht van de Geest?

22Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing23Tegen zodanige mensen is de wet niet. 24Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.
(Galaten 5:22-24)

Als dit niet de vrucht is die na verloop van tijd in ons leven tevoorschijn komt, durven we onszelf dan christen ofwel navolger van Christus te noemen?  Is Jezus niet de Vredevorst? Hebben wij het geloof wat kenmerkend was voor Abraham, ook in zijn omgang met de plaatselijke bevolking?

16Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.
(Romeinen 4:16-17)

Als er dan sprake is van het feit dat God de Joden dit land heeft beloofd, iets wat ik trouwens betwijfel, hadden de Joden dan niet gewoon op een mandaat van God kunnen wachten en op die manier tonen dat zij het geloof van Abraham bezitten in plaats van het zich met geweld toe-eigenen van andermans land en bezittingen?

22En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden. 23Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; 24want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. 25Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen.
26Indien iemand meent godsdienstig te zijn en daarbij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos27Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.
(Jakobus 1:22-27)

Geplaatst in Zonder categorie | Een reactie plaatsen