
Als Johannes de Doper optreedt bij de Jordaan, daar mensen doopt als zij zich bekeren, komen er ook een groep Farizeeën en Sadduceeën naar hem toe om ook gedoopt te worden. Johannes is nogal direct naar deze groep godsdienstige leiders, (trouwens niet alleen naar deze groep, ook in het Lucas evangelie in hoofdstuk 3:7 gebruikt hij onderstaande bewoordingen voor de hele menigte). Hij betitelt hen als adderengebroed:
…Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt…
(Mattheus 3:7-8)
Door zich te bedienen van deze bewoordingen schuift hij deze groep vrome mannen in de hoek van de oude slang, de duivel dus.(Trouwens Jezus doet dat ook onder andere in Johannes 8:44 en Mattheus 23). Deze vrome mannen waren leiders in het toenmalige Judea en wellicht deel uitmakend van het Sanhedrin. Uiterlijk gezien waren deze mensen heel vroom en overtuigend, maar Johannes had door dat achter deze façade van vroomheid een satanisch iets schuil ging. Door hen te wijzen op hun vrucht, een vrucht die de komende toorn tot gevolg zou hebben, geeft hij aan hen aan dat uiterlijke vroomheid alleen het niet gaat maken, maar dat er een echte vrucht van bekering moet zijn om de komende toorn te kunnen ontgaan. Beide, de komst van de Messias en de verwoesting van Jeruzalem worden aangekondigd door de engel Gabriel in Daniel 9:24-27, en zijn dus nauw met elkaar verbonden.
Johannes de Doper had zoveel geestelijk inzicht dat hij direct door de façade wist heen te prikken. Wij in onze tijd hebben ook de opdracht om door dit soort zaken heen te kijken. Paulus waarschuwt ons:
11En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, 12want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; 13maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.
(Efeziërs 5:11-13)
De grote vraag voor ons is waaraan wij datgene kunnen herkennen wat schuil gaat achter een masker van vroomheid, anders zullen wij ook niet in staat zijn de leugens te ontmaskeren. Hiervoor wil ik twee teksten aanhalen die voor ons behulpzaam kunnen zijn in het uitvoeren van de bijbelse opdracht:
17Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. 19Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen.
(Mattheus 7:17-20)
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? 15Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, 16en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit? 17Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. 18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ík heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken. 19Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, (maar) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen.
(Jakobus 2:14-19)
Waar moeten wij op letten? Op de uitwerking en niet op mooie praatjes. Als we kijken naar de uitwerking die de komst van het “uitverkoren volk” heeft voor de mensen die eeuwenlang in Palestina hebben gewoond , dan zien we alleen leugen, diefstal en moord. Gaza is met de grond gelijk gemaakt en de schattingen van het aantal doden aan Palestijnse kant lopen uiteen van 60.000 tot meer dan 600.000 mensen, velen daarvan vrouwen en jonge kinderen. Op dit moment worden in de zogenaamde Westbank Palestijnse huizen en bezittingen vernield en mensen vermoord, daaronder zijn ook christelijke dorpen die onder vuur worden genomen. De “fantastische, gezegende Joden” in Israël laten al meer dan 75 jaar een spoor van dood en verderf achter in dat gebied.
Maar ik kan ook wel wat dichter bij huis blijven. Persoonlijk hebben wij al een aantal maanden een vlag te hangen die een combinatie is van de Friese en de Palestijnse vlag, deze vlag is ontworpen voor de organisatie die zich “Friesland voor Palestina” noemt. Wij halen tegenwoordig ’s nachts de vlag binnen omdat hij al twee keer van de muur getrokken is, in eerst instantie belandde hij in de sloot en konden wij deze terug halen, in tweede instantie vonden wij de vlag totaal vernield terug. Wij waren dus genoodzaakt om een nieuwe vlag te kopen. De enige die ik kan bedenken die zich aan deze vorm van vandalisme schuldig zou willen maken is ofwel een Joodse Zionist of , en dat lijkt mij het meest waarschijnlijk, een Christen-Zionist, die vindt dat deze vlag er niet hoort te hangen en zich dus verlaagt tot het vernielen van andermans bezittingen en ons het recht te ontnemen over de situatie in het Midden-Oosten een andere mening te hebben. Jezus gebruikt in Johannes 8 duidelijke woorden als hij verwijst naar Abraham:
…Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet.
(Johannes 8:39-40)
Abraham heeft zijn hele leven in vrede geleefd te midden van de Kanaänieten. Abraham heeft dus nooit iets gedaan om zich het “beloofde land” eigenmachtig toe te eigenen. Het was pas in de tijd van Mozes en Jozua, vierhonderddertig jaar later, dat er een goddelijke opdracht was om deze specifiek benoemde volken te vernietigen. Israël was in dit geval het instrument van Gods wraak over de zonden van deze volken. Echter als later de Israëlieten zich schuldig maken aan dezelfde zonden, komen ook zij onder het oordeel terecht. Een instrument zijn van Gods toorn zoals Israël dat was, brengt kennelijk verplichtingen met zich mee, er moet sprake zijn van heiligheid, anders mogen zij deze taak niet uitvoeren.
17Voorts hadden zij hun zonen en dochters door het vuur doen gaan, waarzeggerij en wichelarij gepleegd en zich verkocht om te doen wat kwaad is in de ogen des HEREN en Hem daardoor te krenken. 18Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd: niets bleef er over dan alleen de stam van Juda.
(2 Koningen 17:17-18)
Los van wat ik eerder noemde, de huidige staat Israël is berucht vanwege de enorme LHBTQ gemeenschap vooral in Tel Aviv, waar jaarlijks de grootste gay-parade van de wereld is. Het aantal abortussen is nergens in de wereld zo groot als in Israël. Kijkend naar deze zaken en die dan spiegelen aan de eerder aangehaalde teksten, dan moet toch duidelijk zijn dat we hier niet kijken naar een gezegend volk maar een vervloekt volk?
Als ik dan te maken krijg met mensen die zich Christen noemen en dit op zijn best gedogen en vaak goed praten, en dat vaak ook nog van harte ondersteunen, mag ik dan op dezelfde manier de spiegel omhoog houden die Johannes de Doper, Jezus en Jakobus omhoog hielden naar hun volksgenoten? Als iemand zich christen noemt en zich vervolgens laat verleiden om andermans spullen te vernielen, geeft zo iemand dan blijk van het feit dat hij christen is, of moeten we zo iemand in de hoek zetten waar Jezus de Joden neerzet, namelijk als kinderen van de duivel?
44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.
(Johannes 8:44)
Dit is hoe Jezus vrome, godsdienstige Joden betitelt, die elke sabbat in de synagoge te vinden zijn en in Jeruzalem aanwezig zijn voor de feesten, een of twee keer per week vasten, dagelijks de Torah bestuderen en deze, naar eigen zeggen, strikt in acht nemen. Waar staan wij dan als christenen als wij zonde goedpraten bij onszelf en bij anderen, is de vrucht die op die manier naar voren komt een vrucht van de Geest?
22Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23Tegen zodanige mensen is de wet niet. 24Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.
(Galaten 5:22-24)
Als dit niet de vrucht is die na verloop van tijd in ons leven tevoorschijn komt, durven we onszelf dan christen ofwel navolger van Christus te noemen? Is Jezus niet de Vredevorst? Hebben wij het geloof wat kenmerkend was voor Abraham, ook in zijn omgang met de plaatselijke bevolking?
16Daarom is het (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, 17gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.
(Romeinen 4:16-17)
Als er dan sprake is van het feit dat God de Joden dit land heeft beloofd, iets wat ik trouwens betwijfel, hadden de Joden dan niet gewoon op een mandaat van God kunnen wachten en op die manier tonen dat zij het geloof van Abraham bezitten in plaats van het zich met geweld toe-eigenen van andermans land en bezittingen?
22En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden. 23Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; 24want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. 25Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen.
26Indien iemand meent godsdienstig te zijn en daarbij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos. 27Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.
(Jakobus 1:22-27)
