
De laatste jaren worden we in christelijke kring om de haverklap geconfronteerd met de suggestie dat we terug zouden moeten naar een Joodse manier van kijken met betrekking tot de interpretatie van de bijbel. In de beleving van de voorstanders van dit standpunt hebben wij de bijbel te danken aan de Joden, wij heidenen zouden derhalve niet goed in staat zijn om de bijbel op de juiste manier uit te leggen. Ik heb al een keer de uitspraak gehoord:
”Als we nu eerst de uitleg van de door Joden geschreven teksten eens aan de Joden overlaten, dan kunnen we daarna de teksten die geschreven zijn door heidenen dan maar door hen laten uitleggen”.
We weten natuurlijk dat de bijbel, zo niet helemaal dan wel voor het overgrote deel te danken is aan Israëlieten of Joden, het evangelie van Lucas zou eventueel een uitzondering kunnen zijn omdat hij gezien wordt als een niet-jood, echter zijn er ook serieuze argumenten voor de suggestie dat ook Lucas een Jood was, in het laatste geval is dan het hele nieuwe testament geschreven door Joden. Het gevolg van deze redenatie is dat velen te rade gaan bij de Rabbijnse Joden om door hen de schriften uitgelegd te krijgen. De vraag die mij bezig houdt is of deze gang van zaken wel klopt en of we zo wel op het juiste spoor zijn aanbeland.
Eerst maar even de bijbel zelf, wat zegt de bijbel hierover:
1Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? 2Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.
(Romeinen 3:1-2)
4immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: 5hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.
(Romeinen 9:4-5)
De beide in deze teksten benoemde aspecten zijn feitelijk, namelijk dat de Joden de zorg hadden voor de woorden van God en dat uit hen de Christus is voortgekomen. Zonder de Joden zouden we geen Schriften hebben, in deze context wordt in eerste instantie het oude testament bedoeld, en zou ook de Messias niet geboren zijn. Kennelijk hebben we veel aan hen te danken, in die zin klopt het bovengenoemde argument. Echter wat we ons vaak niet realiseren is dat het huidige Jodendom niet gezien kan worden als een voortzetting van het Israël van het oude testament. Al in de tijd van de koningen heeft God afscheid genomen van het huis van Israël.
8Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde;
(Jeremia 3:8)
Het huis van Israël was zover gegaan in haar afgoderij dat God besloten heeft een einde te maken aan het (huwelijks)verbond met het huis van Israël. Hoewel het huis van Juda het in geen enkel opzicht beter deed, lijkt het erop dat God in die tijd van hen nog geen afscheid heeft genomen. Het huis van Israël is tot op de dag van vandaag niet meer teruggekeerd terwijl het huis van Juda, de Joden, na de ballingschap nog 490 jaar respijt heeft gekregen en dat God pas afscheid van hen heeft genomen in het jaar 70 AD toen Jeruzalem en haar tempel met de grond gelijk zijn gemaakt vanwege het feit dat zij in meerderheid Jezus hebben afgewezen als Messias. Zowel Johannes de Doper in Mattheus 3 alsook Jezus in Lucas 19 hebben dit aangekondigd:
7Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? 8Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt; 9en beeldt u niet in, dat gij bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader, want ik zeg u, dat God bij machte is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. 10Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
(Mattheus 3:7-10)
41En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 43Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.
(Lucas 19:41-44)
Alleen de christenen onder de Joden zijn in die tijd, tijdens de verwoesting van Jeruzalem door God in veiligheid gebracht en definitief onderdeel gemaakt van het nieuwe verbond. Het overgrote deel van de Joden is omgekomen of in gevangenschap gevoerd, slecht een zeer klein deel van de Farizeeën is in staat gebleken om het oordeel te ontlopen. Rond het jaar 90 AD is deze groep bij elkaar gaan zitten om zich te bezinnen op de nieuw ontstane situatie. Jeruzalem bestaat niet meer, er is geen tempel meer en geen priesterdienst en hoe nu verder? Tijdens deze bijeenkomt is de basis gelegd voor wat nu het Rabbijnse Jodendom is. Er is in die tijd een synagogale liturgie ontstaan die de tempel en de priesterdienst moest vervangen totdat ooit de tempel zou zijn herbouwd en het priesterschap hersteld. De vraag is gerechtvaardigd of deze handelwijze rechtmatig is.
Op verschillende plaatsen in de wet wordt gerefereerd aan de plaats waar God zijn Naam doet wonen:
5Maar de plaats, die de HERE, uw God, uit het gebied van al uw stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan. 6Daarheen zult gij brengen uw brandoffers en slachtoffers, uw tienden en uw wijgeschenken, uw gelofteoffers en uw vrijwillige offers, de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee. 7Daar zult gij eten voor het aangezicht van de HERE, uw God, en u verheugen, gij en uw huisgezinnen, over alles wat gij ondernomen hebt, waarin de HERE, uw God, u gezegend heeft.
(Deuteronomium 15:5-7)
Het moge duidelijk zijn dat dit de plaats is waar God woont te midden van zijn volk, namelijk in eerste instantie de tabernakel van Mozes en later de tempel in Jeruzalem. Als Israël in ballingschap gevoerd wordt, wordt hen onder andere verweten dat zij de zonde van Jerobeam van Nebat hadden omarmd (zie hiervoor 1 Koningen 11-13 en 2 Koningen 17:21). Jerobeam had voor de Israëlieten een eredienst ingesteld los van de tempel in Jeruzalem, en dus ook los van de aanwezigheid van God, iets wat op grond van bovenstaande tekst een ernstige overtreding van de wet inhield. Het lijkt erop dat de Farizeeën zich door het optuigen van de synagogale liturgie schuldig maakten aan een vergelijkbare overtreding. Was er dan geen tempel meer of konden zij de ware tempel niet zien? Jezus verklaart zijn lichaam tot tempel en Paulus verklaart de gemeente tot huis van God.
19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams.
(Johannes 2:19-21)
15Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.
(1 Timotheüs 3:15)
Voor ons allemaal, dus ook voor de Joden, is het voor een zuivere uitvoering van onze godsdienst van belang dat wij zoeken naar de plaats waar God zijn Naam doet wonen en dat is Jezus Christus, de ware tempel en Zijn gemeente als huis van God en niet de Joodse synagoge. De Joodse godsdienst is in deze zin fundamenteel in overtreding van de wet. Het optuigen van de synagogale praktijk is niets anders dan rebellie tegen God en Zijn geboden door te weigeren Jezus te aanvaarden als de plaats van aanbidding.
21Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden…
23maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; 24God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.
(Johannes 4:21; 23-24)
Hoewel ook het nieuwe testament te danken is aan Joden die het geschreven hebben, dan nog is het geschreven door Joden die deze nieuwtestamentische werkelijkheid kenden en hadden omarmd door Jezus Christus te aanvaarden. Dat betekent dat wij voor een juiste interpretatie van de bijbel niet bij de Joodse rabbijnen moeten zijn maar bij de Joodse apostelen die ons het nieuwe testament gegeven hebben. Waarheden die niet begrepen worden door de Rabbijnse Joden, zoals wie mag gelden als nageslacht van Abraham en wie de erfgenamen zijn van de beloften die God gegeven heeft aan de vaderen, Abraham, Isaak en Jacob, worden door Jezus en de Joodse apostelen van toepassing verklaard op Christus en zijn gemeente. Even een paar voorbeelden:
37Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen plaats vindt. 38Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw vader gehoord hebt. 39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. 41Gij doet de werken van uw vader.
44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.
(Johannes 8:37-41; 44)
16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus…
26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:16; 26-29)
In beide situaties, zowel door Jezus als door Paulus, wordt er gesproken over het nageslacht van Abraham. Jezus verwijt de Joden dat, hoewel zij fysiek afstammen van Abraham, zij toch een andere vader hebben, namelijk de duivel, en Paulus spreekt over Christus en zijn gemeente als nageslacht van Abraham en als erfgenamen van de aan Abraham gegeven beloften. Petrus doet hetzelfde door de aan Israël gegeven belofte uit Exodus 19:4-6 van toepassing te verklaren op de gemeente, die in die tijd al voor een aanzienlijk deel uit niet-joden bestond:
7U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, 8voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. 9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.
(1 Petrus 2:7-10)
De gemeente wordt hier betiteld als volk van God, de christenen worden betiteld als priester en koning, heidenen die ooit niet behoorden tot het volk worden hier ondubbelzinnig tot heilige natie verklaard. Paulus noemt dit feit, namelijk dat het heil naar de volkeren is gegaan, een geheimenis.
6(dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,
(Efeziërs 3:6)
1Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
(Hebreeën 1:1-2)
Jezus, de Zoon van God, is dus de Erfgenaam en de gemeente, deels bestaand uit heidenen, zijn mede-erfgenaam met Christus. Er zijn nog veel meer voorbeelden aan te geven die deze waarheid duidelijk maken. Het Rabbijnse Jodendom wijst deze realiteit volledig af en kan derhalve niet dienen als bron voor waarheid en dus ook niet als basis voor schriftuitleg. Dit toch doen plaatst ons in een omgeving waarin we blootgesteld worden aan misleiding.
7Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. 8Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. 9Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. 10Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. 11Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken.
(2 Johannes 1:7-11)
In overeenstemming met wat Johannes hier stelt is het ons niet toegestaan om bij mensen te rade te gaan die de leer van Christus niet omarmen, we mogen hen in hun hoedanigheid als leraar niet eens ontvangen in ons huis. Dat is van toepassing op alle soorten lering die Jezus niet belijden als Zoon van God, naast veel ander onderwijs heeft dit ook betrekking op het Rabbijnse Jodendom. Niet doen dus!
In een later blog wil ik dieper ingaan op de Joodse manier van uitleg van de bijbel, maar ik wil het hier eerst bij laten.

