Volheid van volkeren

…totdat de volheid der heidenen binnengaat,
(Romeinen 11:25b)

In heel veel leringen rondom de verhouding tussen Israël en de kerk wordt vaak gerefereerd aan Romeinen 9 tot 11. Dit Bijbelgedeelte zou het bewijs zijn dat er naast de rol die de gemeente van Jezus Christus speelt in Gods heilsplan, ook nog een rol weggelegd is voor Israël, weliswaar in de toekomst. Bovengenoemd tekstcitaat wordt gebruikt om aan te geven dat er een moment zal zijn waarbij de rol van de kerk is uitgespeeld, namelijk het moment waarop de volheid van de heidenen is binnengegaan, en dat daarna Israël tot geloof zal komen en ofwel een aparte rol te vervullen krijgt of dat zij dan in de eindtijd deel gaat uitmaken van de gemeente van Jezus Christus.

De grote vraag die daarbij gesteld kan worden is wat Paulus bedoelt als hij refereert aan “de volheid van de heidenen”. De term “volheid van volkeren” vinden we al terug in het boek Genesis. Paulus kennende, met zijn enorme kennis van de oudtestamentische schriften, zou deze term niet gebruikt hebben als hij daarmee niet een verbinding wilde leggen met deze tekst uit Genesis. Eerst maar even de tekst uit Genesis:

 19Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid van volken worden.
(Genesis 48:19)

In Genesis wordt beschreven hoe Jakob de beide zonen van Jozef, zijn kleinzonen dus, adopteert als zijnde zijn eigen zonen:

 5En nu, uw beide zonen, die u in het land Egypte geboren zijn, voordat ik tot u naar Egypte gekomen was, zij zijn de mijne; Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn
(Genesis 48:5)

Dat blijkt later ook, als de indeling gemaakt wordt van het volk Israël in stammen, beide, zowel Efraïm als Manasse, een stam vertegenwoordigen.

Aan Abraham wordt beloofd dat hij een vader van vele volken zal zijn, of zoals het hier staat “een menigte volken”:

4Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden5en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb
(Genesis 17:4-5)

Datzelfde wordt beloofd aan Jakob:

 3En Jakob zeide tot Jozef: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend 4en tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken; Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdurende bezitting.
(Genesis 48:3-4)

Jakob is dus degene die de zegen van Abraham erft. Deze erfenis wordt vervolgens, zoals we hebben kunnen lezen in Genesis 48:19 door Jakob gelegd op het hoofd van Efraïm, ook hij zal worden tot een volheid van volken. Het Hebreeuwse woord wat hier gebruikt wordt voor volken is הגוים (Goyim Strong H1471), met deze uitdrukking worden over het algemeen alle volken bedoeld, ook die niet tot Israël behoren, en vaak worden met deze uitdrukking alleen Niet-Israëlieten bedoeld.

Kijkend naar de geschiedenis dan mag duidelijk zijn dat Efraïm als stam en als volk verdwenen is onder de volkeren en dat geldt niet alleen voor Efraïm, maar ook voor de overige negen stammen die deel uitmaken van het huis van Israël, trouwens, het hele huis van Israël wordt vaak aangeduid als Efraïm. De profeet Hosea moet dit zinnebeeldig weergeven door te trouwen met een hoer.

2Het begin van het spreken des HEREN door Hosea.
De HERE zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de HERE af.
3Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaïm, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. 4De HERE zeide tot hem: Noem hem Jizreël (Jizreël = God zaait), want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. 5Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal in het dal van Jizreël.
6Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama (Lo-Ruchama = Niet geliefde), want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou7Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen verlossen als de HERE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters.
8Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. 9Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi (Lo-Ammi = Niet mijn volk), want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn
10Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. 11Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeenscharen, één hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn. 12Zegt tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama.
(Hosea 1:1-12)

Het huis van Israël, met Efraïm als hoofdstam, komt in de situatie terecht dat God afscheid neemt en hen niet langer erkent als zijn volk, als zijn geliefde echtgenote. De naam Jizreël duidt erop dat het volk gezaaid wordt te midden van de overige volkeren en daar ter plekke gaat uitgroeien en integraal onderdeel zal worden van deze volkeren. Het huis van Israël wordt dus onderdeel van de Goyim. Pas veel later zullen zij hun status als volk en geliefde terug ontvangen als zij zich scharen onder dat ene Hoofd, namelijk Jezus Christus. Paulus citeert ook uit deze tekst in Romeinen 9:

24En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, 25gelijk Hij ook bij Hosea zegt:
           Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.
26En het zal geschieden ter plaatse, waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet,
          daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God.
(Romeinen 9:24-26)

Paulus geeft hier aan dat deze tekst uit Hosea slaat op de gemeente van Jezus Christus, de kerk is dus het herstelde huis van Israël, of zoals Paulus dat aangeeft in Galaten 6 “het Israël Gods”.

Terug naar het begin. Als Jacob zijn geadopteerde zoon Efraïm zegent dan voorziet hij dat Efraïm zal bestaan uit een volheid van volken. Paulus grijpt hierop terug in Romeinen 11

25Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, 26en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat:
De Verlosser zal uit Sion komen,
Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.
(Romeinen 11:25-26)

Gans Israël zal behouden worden als, naast het overblijfsel van de Joden, ook de Goyim, de volkeren en/of heidenen tot geloof komen, en zich scharen onder die ene Verlosser die uit Sion zal komen. Samen vormen zij dan het nieuwtestamentische Israël, bestaande uit mensen die uit God geboren zijn en door de Geest deel gekregen hebben aan Jezus die gezeten is aan de rechterhand van God de Vader in de hemel, het nieuwtestamentische Sion. Jezus verklaart tegenover Pilatus het volgende:

36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. 37Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. 
(Johannes 18:36-37)

Het Koninkrijk van God is dus niet fysiek of aards, maar geestelijk en hemels.

18Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, 19tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; 20want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd. 21En zó ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving. 22Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, 23en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, 24en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.
(Hebreeën 12:18-24)

3Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus4Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde7En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, 8welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, 9door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, 10om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten11in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, 12opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. 13In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.
(Efeziërs 1:3-14)

Veronderstellen dat er in deze tijd nog uitzicht is op een toekomstig Israël, dat geregeerd zal worden vanuit Jeruzalem lijkt mij volstrekt in tegenspraak met deze waarheid, namelijk dat wij deel uitmaken van het hemelse Jeruzalem, deel hebben aan alle hemelse zegen die we ontvangen hebben in Christus. Het herstelde huis van Israël zijn die mensen, Jood en heiden samen die met Christus gezeten zijn in de hemel, het hemelse Sion, van waaruit Jezus regeert.

9Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een vader, en Efraïm, die is mijn eerstgeborene.
(Jeremia 31:9)

De kring van de eerstgeborenen, Efraïm dus, is de gemeente van Jezus Christus. Jezus is de eerstgeborene uit de doden, Hij is het ware zaad van Abraham, bij Hem alleen moeten we zijn om te kunnen horen bij het volk van God en alleen dan is God zelf onze Vader.

 6Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.
(Johannes 14:6)

Dit bericht is geplaatst in Zonder categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *