
…Gij zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet?
…Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek?
(Johannes 3:10 en 12)
Jezus is in gesprek met Nikodemus, een overste uit Israël, een lid van het toenmalige Sanhedrin in Jeruzalem. Deze Nikodemus was ’s nachts naar Jezus toegekomen tijdens het feest van de ongezuurde broden, nieuwsgierig om te horen waar deze Jezus voor zou staan. Er ontspint zich een gesprek over het Koninkrijk van God. Jezus benadrukt in dit gesprek eerst welke voorwaarden van toepassing zijn om er deel van uit te kunnen maken. Jezus praat over wedergeboorte, geboren zijn uit de Geest. Uit dit gesprek wordt vooral duidelijk dat Jezus en Nikodemus volledig langs elkaar heen praten, Nikodemus begrijpt niets van wat Jezus zegt, en Jezus verwijt hem dat ook. Hij, als leraar van Israël, zou deze dingen moeten begrijpen, maar het tegendeel blijkt waar te zijn. Jezus probeert in dit gesprek duidelijk te maken dat het Koninkrijk van God een geestelijke, hemelse realiteit is en geen aardse. Je moet bedenken dat de Joodse toekomstverwachting er op gericht was dat het oude Israël onder David en Salomo op zeker moment weer in ere zou worden hersteld en dat zou realiteit moeten worden als de Messias zou verschijnen. Het verwijt van Jezus is dat ze van het aardse al niets begrepen hebben en dat ze daardoor ook niet in staat zouden zijn om datgene waar Jezus over spreekt te kunnen begrijpen. Kennelijk begrijpen ze de functie van het Mozaïsche verbond en de daaraan gekoppelde tempeldienst, die deel uit maken van het aardse, niet echt. In het gedeelte dat erop volgt legt Jezus de verbinding tussen de slang in de woestijn in de tijd van Mozes en het doel waar Hij voor gekomen is, daarmee wil Hij duidelijk maken dat de affaire met de koperen slang een plaatje is dat vooruit wijst naar de toekomst. Op die manier wil Jezus duidelijk maken dat datgene wat Israël in het aardse heeft meegemaakt, en dat geldt ook voor alle zaken rondom de priesterdienst en de tempel, plaatjes zijn van iets veel groters wat de beperkingen van ons fysieke bestaan verre te buiten gaat. Alles wat betrekking heeft op het Koninkrijk van God en het Evangelie is zo veel groter dan wat zij, de Joden in hun tijd konden begrijpen. Paulus legt op diverse plaatsen uit wat het verschil is tussen waar het in het oude testament om draaide en alles waar het nieuwe verbond voor staat. Ik zoom even in op een passage uit de brief aan de Hebreeën die gericht was aan de Joodse Christenen van die tijd:
1De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, 2de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.
3Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren. 4Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er (hier reeds) zijn om volgens de wet de gaven te offeren. 5Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg. 6Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust.
(Hebreeën 8:1-6)
Wat Paulus hier probeert duidelijk te maken aan Joden die deel uitmaakten van het verbondsvolk, dat de werkelijkheid waar wij deel van uitmaken eerst en vooral geestelijk en hemels is en ook nog veel beter dan het Mozaïsche verbond. Paulus gebruikt termen als ‘schaduw’ en ‘afbeelding, deze zijn te vergelijken met een foto. Je kunt heel blij worden van een foto, maar werkelijk deel uitmaken van de omgeving die op de foto staat overtreft natuurlijk alles. De geestelijke werkelijkheid waar Paulus aan refereert is datgene waar het allemaal om draait.
Terug naar Nikodemus, hij verwachtte het herstel van de oude glorie van Jeruzalem en David als haar koning, het herstel van het oorspronkelijke Israël dus. Jezus echter spreekt verderop over alle mensen op aarde, de wereld, en het heil dat voor hen bestemd zou zijn als zij in Hem als eniggeboren Zoon zouden geloven. Joden waren gewend geraakt aan het idee dat een leven met God uitsluitend voor hen bestemd zou zijn en dat de rest van de mensheid er eigenlijk niet toe doet, iets wat Joden getuige diverse uitspraken in de Talmoed nog steeds geloven, zij zijn het exclusieve uitverkoren volk, zij vinden van zichzelf dat zij ook genetisch van een hogere orde zijn, zij denken bij uitstek in staat te zijn zich aan de wetten van God te houden, heidenen zouden niet beschikken over deze kwaliteiten. Wat deze Joden niet begrijpen is dat zij zich beperken tot het herstel van het aardse en dat zij geen zicht hebben op het veel grotere hemelse wat aan Jezus Christus verbonden is.
Veel christenen zijn vanwege het omarmen van zionistisch gedachtegoed hier ook terecht gekomen. De toekomstverwachting die eeuwenlang uitsluitend betrekking had op de realiteit van het zijn in Christus en alles wat dat impliceert, gecombineerd met de verwachte wederkomst van Jezus, dit vervangen door weer verwachtingvol te gaan letten op de ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de huidige staat Israël betekent dat velen daardoor het oorspronkelijke, geestelijk c.q. hemelse perspectief kwijt raken. Hun perspectief van het nieuwe verbond wordt langzamerhand steeds kleiner, het besef wat het betekent om in Christus deel uit te maken van het hemelse raken ze langzaam maar zeker kwijt. Maar even een tekst:
3Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
(Efeziërs 1:3)
19en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, 20die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, 21boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. 22En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.
(Efeziërs 1:19-23)
Het perspectief op deze huidige werkelijkheid wordt verdrongen door het zogenaamd toekomstige perspectief op Israël. De rijkdom die gekoppeld is aan het nieuwe verbond waar wij nu deel van uitmaken verdwijnt langzaam maar zeker.
Jezus probeert duidelijk te maken dat het hemelse wat gekoppeld is aan zijn komst datgene is waar alles om draait en dat het aardse alleen maar een plaatje is:
19Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. 20Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; 21maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn.
(Johannes 3:19-21)
Het oude Jeruzalem en ook het huidige Israël maken deel uit van de beschreven aardse werkelijkheid die nog steeds gekoppeld is aan de duisternis. Jezus afwijzen heeft grote gevolgen voor iedereen, dan blijf je hangen in de duisternis. Als wij als christenen ons daar weer mee verbinden komen wij ook weer in duisternis terecht.
We zijn begonnen met de leraar van Israël die niet alleen geen oog heeft voor het hemelse, maar ook het aardse niet goed begrijpt. Menen dat we bij de joden te rade moeten gaan om inzicht te krijgen in bijbelse aangelegenheden, kan alleen maar tot gevolg hebben dat ons perspectief op Jezus Christus en het evangelie meer en meer gaat vertroebelen met alle gevolgen van dien.
24Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder.
(Galaten 4:24-26)
De keus is aan ons, van welke van de beide bedelingen willen wij ten volle deel uitmaken? Het oude Jeruzalem is in slavernij en dat geldt ook vandaag nog steeds, het hemelse Jeruzalem is vrij, dat is de plaats waar Jezus gezeten is en waar wij deel van uitmaken als wij werkelijk en uitsluitend in Hem zijn.

