… MAAK MIJ LEVEND NAAR UW WOORD.

Psalm 119:25-32

25 Mijn ziel kleeft aan het stof,
maak mij levend naar uw woord.
26 Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord,
leer mij uw inzettingen.
27 Doe mij de weg uwer bevelen verstaan,
opdat ik uw wonderen overdenke.
28 Mijn ziel schreit van kommer,
richt mij op naar uw woord.
29 Doe de weg der leugen van mij wijken
en schenk mij genadig uw wet.
30 Ik verkies de weg der waarheid,
Ik stel uw verordeningen voor mij.
31 Ik klem mij vast aan uw getuigenissen,
o Here, maak mij niet beschaamd.
32 Ik zal de weg uwer geboden lopen,
want Gij verruimt mij het hart.

In dit gedeelte bezingt de psalmist zijn nood. In die nood klemt hij zich vast aan God en zijn woord, hij verwacht daardoor leven, richting en waarheid te vinden.

Deze hartshouding vinden we terug bij Jacob als hij strijd met God in Pniël. Als de zon opkomt en God hem wil verlaten klemt Jacob zich vast aan God met de woorden: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent” (Genesis 32:26). Dit is het moment waarop Jacob zijn nieuwe naam, Israël ontvangt. De psalmist weet, evenals Jacob, dat alleen God zijn hart kan verruimen.

Om de weg van de zegen te gaan, in een liefdevolle relatie met God, klemt hij zich, in een diepe afhankelijkheid, vast aan Hem en Zijn Woord.

Ook voor ons is dit de uitdaging. De zegen van God ontvangen we als we in totale afhankelijkheid ons vast klemmen aan Hem, en dat ook wij zeggen:

“Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent”

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *