DOE WEL AAN UW KNECHT….

Psalm 119:17-24

17 Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven
en uw woord onderhouden.
18 Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe
de wonderen uit uw wet.
19 Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg uw geboden niet voor mij.
20 Mijn ziel wordt verteerd van verlangen
naar uw verordeningen te allen tijde.
21 Gij bedreigt de vervloekte overmoedigen,
die van uw geboden afdwalen.
22 Wentel smaad en verachting van mij af,
want ik bewaar uw getuigenissen.
23 Al zetten vorsten zich neder, al beraadslagen zij tegen mij,
uw knecht overdenkt uw inzettingen.
24 Ja, uw getuigenissen zijn mijn verlustiging,
zij zijn mijn raadslieden.

De psalmist lijkt erop gebrand te zijn in dit gedeelte, dat er geen obstakels zijn of komen die hem er van weerhouden zich te houden aan de geboden. Eerst vraagt hij dat God hem weldoet, zodat persoonlijke omstandigheden niet in de weg staan van zijn toewijding. Ook vraagt hij of God de wet voor hem ontsluierd, hij wil niet gehinderd worden door blinde vlekken. Hij zoekt naar duidelijkheid,

“Hoe moet ik dit lezen?” De passie die uit gedeelte spreekt, zelfs in confrontatie met tegenstanders die hem willen afbrengen van het pad dat hij bewandeld is evident. Hij kiest ervoor om tegen alle druk in Gods inzettingen te blijven overdenken. De getuigenissen zijn voor hem de ultieme bron van raad, zij zijn

“MIJN VERLUSTIGING, MIJN RAADSLIEDEN”

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *