Door de jaren heen heb ik vaak nagedacht over de vraag wat er van ons christenen mag worden verwacht wat betreft onze levensstijl. Ik ben gereformeerd opgevoed met een duidelijk idee hoe het leven van een gereformeerde er uit hoort te zien. Hoewel er thuis op de boerderij zondags gewerkt moest worden, de koeien moesten gemolken en verzorgd worden, werd er toch vanuit gegaan dat de zondag bedoeld is als rustdag. Mijn vader deed dan ook alleen het meest noodzakelijke, de rest van de dag werd voornamelijk besteed aan kerkgang. Er werd van ons verwacht dat we twee keer naar de kerk gingen, al van erg jong af. Op zondag mocht niet gesport worden, schaatsen bijvoorbeeld was er op zondag niet bij. Fietsen deden we alleen heen en terug naar de kerk.
Naast dit alles op zondag waren er ook door de week zaken niet toegestaan. Bioscoopbezoek, bezoek van dansgelegenheden, bezoek aan de “herberg”, en meer van dit soort zaken was verboden.
Voordat we konden gaan eten werd er eerst een zegen gebeden over het eten, na het eten werd een stuk uit de bijbel gelezen en daarna werd er gedankt voor het eten. Dit gebeurde drie keer per dag. Van de vader in het gezin werd verwacht dat hij hardop voorging in gebed, het zogenaamde stil gebed, wat in veel kerkelijke gezinnen werd toegepast werd beschouwd als beneden de maat. Er was dus een sterke nadruk op uiterlijkheden, maar over hoe je God kan liefhebben met je hart werd nauwelijks over gepraat.
(N.B. Ik heb onwillekeurig op deze manier wel erg veel bijbel meegekregen, en dat ervaar als een grote zegen).
Als je dan wat ouder word en geloof in God een meer persoonlijk karakter krijgt ga je over deze zaken nadenken. Persoonlijk ben ik van het meegaande type, dus je houdt aan de regels. In eerste instantie hebben wij een aantal van deze dingen dan ook geïmplementeerd als standaard voor het gezin. Bij mij persoonlijk begon er echter na verloop van tijd een soort weerstand te groeien tegen wat, voor mijn gevoel religieuze vorm zonder concrete inhoud was. Dit heeft ertoe geleid dat al deze vormen steeds meer naar de achtergrond verdwenen. Er kwam echter weinig voor in de plaats. Deze ontwikkeling rechtvaardigde ik dan met bijbelteksten, zoals: “we zijn niet onder de wet, maar onder de genade“. Toch is er de laatste jaren een grote verschuiving opgetreden in de manier waarop ik over dit soort zaken denk. De grootste verandering is mijn kijk op de wet van God. Terwijl voor mij vroeger de wet werd gezien als stelsel van regels die door Jezus vervuld zijn, dus teniet gedaan; de laatste jaren is er langzaam een besef gegroeid dat het in de wet niet gaat om starre regels die een soort juk op je plaatsen, maar dat het bij de wet gaat om, hoe we met God en met elkaar dienen om te gaan, de geboden , of “Torah” zoals deze in de bijbel heet, zijn dus gewoon een soort omgangsvormen. Jeshua zegt in Marcus 12: 30-31
Het eerste (gebod) is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet.
Als je dan ook kijkt naar de tien geboden uit Exodus 20 moet toch duidelijk worden dat het bij de eerste vier gaat om onze relatie tot God, en bij de volgende zes om de relatie onderling en tot anderen buiten onze kring. Als regels een doel in zichzelf zijn zoals dat bij de tijdgenoten van Jeshua, wordt het droog en star, maar binnen een omgeving waar liefde heerst is het niet meer dan respect hebben voor God en elkaar, en heeft het dus een bevrijdend karakter. Jacobus spreekt in zijn dan ook over “de wet van de vrijheid” (Jacobus 2:12). Elk gezin en ook elke andere organisatie kent omgangsvormen, dit geldt dus ook voor ons in onze relatie met God en met elkaar. ‘We zijn niet onder wet’ is dus geen excuus om ons niet aan de geboden van God te houden.
Later meer, Dirk

