Niet uit werken

Efeziërs 2:8-10

Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Een veel gehoorde uitspraak tegenwoordig is dat, omdat de genade een gave van God is en dus niet uit werken, dat het doen van goede werken niet echt belangrijk meer is voor ons als christenen. De goede werken worden gezien als optioneel, maar niet als noodzakelijk voor ons dagelijkse leven. Ik kom op internet vaak de opmerking tegen: “Don’t work your way to heaven”,  wat vrij vertaald zoiets betekent als:  “Ga (of probeer)niet je weg naar de hemel bewerken”, want het zou wel eens kunnen dat je door hard ergens aan te werken Gods genade afwijst en dat zou pas echt zonde zijn. Mensen wijzen op hun verantwoordelijkheid wordt dan vaak gezien als wettisisme en dat is gevaarlijker dan dingen doen die niet mogen, want het is “NIET UIT WERKEN”. Het benadrukken van gehoorzaamheid en waarheid wordt vaak beleefd als liefdeloos. Evangeliseren doen we vanuit de optiek dat Jezus en de Vader van ons houden. Een veel gehoorde uitspraak is: “Jezus houdt van jou en heeft een plan met je leven”, vaak doen we dit met een beroep op Johannes 3:16:

Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

De vraag die mij al jaren bezig houdt is of deze stellingname wel klopt. In de eerste plaats kom ik het woord “wettisch” nergens tegen in de bijbel terwijl het woord “wetteloosheid” in het nieuwe testament wel 15 keer voor komt. In de tweede plaats kom ik deze uitspraak van Jacobus tegen:

Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof. (Jakobus 2:24)

Jakobus koppelt kennelijk ‘geloof’ aan ‘werken’ en verklaart daarmee dat deze twee niet los van elkaar bestaan. Ook Judas de broer van Jakobus doet een vergelijkbare uitspraak :

Want er zijn zekere mensen binnengeslopen – reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven – goddelozen, die de genade van onze God in losbandigheid veranderen en onze enige Heerser en Here, Jezus Christus, verloochenen. (Judas 1:4)

Maar hoe zit het werkelijk, hebben we hier te maken met een situatie waarbij het onderwijs van Paulus en het onderwijs van anderen elkaar tegenspreken? Om deze vraag goed beantwoord te krijgen moeten we terug naar de achtergrond van de gedane uitspraken.

Nagenoeg elke godsdienst in de wereld kent wel een manier waarop wij met God verzoend kunnen en moeten worden. Om met God in het reine te komen moeten we heel hard ons best doen, er is namelijk sprake van een zogenaamde balans tussen goed en kwaad, wij moeten ervoor zorgen dat de balans of weegschaal doorslaat naar de goede kant. Goede werken kunnen in deze ervoor zorgen dat God of het goddelijke niet meer boos op ons zijn. Binnen heel veel kringen zijn allerlei religieuze activiteiten ontwikkeld die moeten dienen om bij God in een goed blaadje te staan. Ditzelfde geldt ook binnen het toenmalige en het hedendaagse orthodoxe Jodendom, die deze manier van denken hebben meegenomen uit Babylon. Het uitvoeren van religieuze handelingen gebaseerd op de wet dienen dan ter verzoening. We kunnen zaken benoemen zoals de besnijdenis, de offers, ook ceremoniële handelingen binnen synagogale liturgie worden beleeft als middelen die ons met God verzoenen. Als Paulus aangeeft dat het “niet uit werken” is, dan doelt hij op dit soort zaken. Hij zelf is een Farizeeër en dus bij uitstek op de hoogte van deze manier van denken. Hij noemt zichzelf in de brief aan de Galaten, doelend op zijn verleden een “hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen” (Galaten 1:14b), hij kent deze dus van binnen uit. Als Paulus dan ook komt tot deze uitspraak, dan moeten we dat zien tegen deze achtergrond. In Romeinen 10 legt Paulus het als volgt uit:

Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen. (Romeinen 10:2-3)

De eigen gerechtigheid op basis van het je best doen gaat het strikt genomen niet maken, er is meer nodig dan dat. De Psalmist zegt het zo:

In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, – Gij hebt mij geopende oren gegeven –, brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. (Psalm 40:7)

Dat betekent dat de offers strikt genomen niet aangenaam zijn voor God en dus niet voor verzoening kunnen zorgen. Maar is het niet zo dat de wet schrijft ze toch voorschrijft, deze offers zijn daar toch voor bedoeld? Om antwoord te vinden op deze vraag moeten we terug naar het boek Genesis

Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. (Genesis 17:9-11)

Let op het woord “teken “ in deze tekst, een teken dient alleen maar als een soort vingerwijzing naar iets anders. Je kunt het vergelijken met een verkeersbord. In zichzelf doet zo’n bord niets, het betekent alleen maar iets als je op de weg bent en wil weten hoe je je dient te gedragen of welk richting je uit moet. Op dezelfde manier is de besnijdenis bedoelt, als verwijzing naar iets anders. Datzelfde geldt ook voor de tempeldienst en zijn offers, ook die wijzen naar iets anders, namelijk Jezus Christus, en wat Hij voor ons gedaan heeft aan het kruis. Ook in die tijd, de tijd van het oude verbond is Jezus, welleswaar toekomstig, onze verzoening en dat brengen wij in beeld door met een nederig hart God een offer te brengen. Binnen het toenmalige Jodendom werd daar anders mee om gegaan, men handelde vanuit het Babylonische gedachtegoed, waarin ons godsdienstige handelen  ter compensatie diende, en niet vanuit de genade en de vergeving van God.

Nu terug naar deze tijd, terug naar die opmerking aan het begin dat het ergste wat wij kunnen doen is ons best doen, want stel je voor dat je in de modus terecht komt, waarin je het zelf weer doet en dat je daardoor jezelf buiten de genade van God plaatst. Om hier goed antwoord op te krijgen moeten we naar twee definities voor het begrip zonde in het nieuwe testament:

En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. (Johannes 16:7-11)

Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid. (1 Johannes 3:4)

Enerzijds is zonde dus het feit dat we niet in Jezus geloven, anderzijds is zonde te zien als wetteloosheid, dus als de overtreding van de wet van God. Het is belangrijk dat we deze beide altijd samen houden en niet proberen en ene tegen de andere uit te spelen. De reden voor de noodzaak om in Jezus te geloven is gelegen in het feit dat wij de wet hebben overtreden, wij voldoen niet aan de door God gestelde standaard die Hij ons gegeven heeft in de wet, en voor diegene die de wet niet kent verwijst Paulus in Romeinen 2 naar ons eigen geweten. Maar betekent het feit dat ik afhankelijk ben van de genade dat gehoorzaamheid dan maar een vies woord moet zijn?  Paulus maar weer:

Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? (Romeinen 6:15-16)

Als we hier zonde zien als wetteloosheid, dan kan ik de tekst als volgt  parafraseren: “Zullen wij de wet blijven overtreden, omdat wij niet onder de wet zijn?” Paulus gebruikt in deze twee teksten alleen al drie keer het begrip “gehoorzaamheid” of het werkwoord “gehoorzamen”. Hiermee wordt de noodzaak duidelijk, dat er nadat we tot geloof gekomen zijn, ons leven aan God dienen toe te wijden in totale gehoorzaamheid, te vergelijken met het zijn van een slaaf. Jezus zegt het op een vergelijkbare manier:

Wie van u zal tot zijn slaaf, die voor hem ploegt of het vee hoedt, als hij van het land thuiskomt, zeggen: Kom terstond hier aan tafel? Zal hij niet veeleer tot hem zeggen: Maak mijn maaltijd gereed, schort uw kleren op en bedien mij, tot ik klaar ben met eten en drinken, en daarna kunt gij eten en drinken? Zal hij de slaaf soms danken, omdat hij deed wat hem bevolen was? Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen. (Lucas 17:7-10)

Wij zijn slaven, en een slaaf in deze zin kan geen rechten laten gelden, maar heeft wel plichten, namelijk doen wat zijn heer van hem verwacht.

Als we nu terug gaan naar de tekst uit de brief aan de Efeziërs, aan het begin van dit verhaal, dan komen beide in de juiste verhouding te staan. We kunnen geen rechten laten gelden op basis van onze werken, het is 100% uit genade, door het geloof. We zijn echter wel apart gezet om goede werken te doen, en dat zijn  geen goede werken die we maar naar believen menen te gaan doen, maar werken die God voor ons bepaald heeft. Hiervoor zijn twee dingen cruciaal, namelijk relatie en gehoorzaamheid. 100% genade wordt hier dus gekoppeld aan 100% gehoorzaamheid. Beide begrippen worden samengebracht onder de noemer “geloof”. Bijbels geloof bestaat uit enerzijds afhankelijkheid en anderzijds gehoorzaamheid. De twee zijn niet los verkrijgbaar.

Wellicht dat we in een volgend blog wat verder inzoomen op wat bijbels geloof echt is, maar dat is voor later.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *