Erfgenaam

Hebreeën 1:1

1Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. 3Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, 4zóveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.

Jezus wordt hier verklaard de erfgenaam te zijn van alle dingen, dat betekent dat Hij degene is die aanspraak maakt op alle beloften die gedaan zijn onder het oude verbond. In de tweede brief aan de Korintiërs geeft Paulus in hoofdstuk 1:20 aan dat alle beloften in de bijbel hun vervulling vinden in Christus.

20Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons.
(2 Korintiërs 1:20)

Ditzelfde geldt ook voor de beloften die gegeven zijn aan Abraham, Izaäk en Jakob. Het volk Israël mag dus niet gezien worden als de erfgenaam van deze beloften, maar slechts als de beheerders van deze beloften, de dragers van de erfenis. Paulus zinspeelt hierop als Hij in de brief aan de Galaten uitleg geeft over de verhouding van ons tot de wet en al haar bepalingen.

1Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; 2maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was. 3Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. 4Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, 5om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.
(Galaten 4:1-5)

Israël was dus onmondig totdat de erfgenaam verscheen, die hen vrijkocht van onder de veroordeling van de wet en hen het recht op het zoonschap verleende. Jezus heeft door zijn komst, zijn lijden, sterven en opstanding de erfenis aan zich getrokken en ons, zowel de Jood alsook de heiden, uit de volkeren mede-erfgenaam gemaakt met Hem. Jezus is de enige die ooit aanspraak kan maken op de erfenis, Israël dus ook niet.

Ik hoor vaak dat de gelovigen uit de heidenen mede-erfgenaam zijn met Israël, de Joden dus. Dat baseren we dan op Romeinen 11 aan de hand van de beschrijving van de edele olijf, Israël wordt dan gezien als de edele olijfboom en de heidenen mogen bij de gratie Gods daar op geënt zijn, terwijl een groot deel van de Joden is weggebroken vanwege hun ongeloof. Deze hele gedachte staat en valt met een juiste definitie van wie bedoeld wordt met de edele olijfboom. In het oude testament wordt Israël vergeleken met een wijngaard en een wijnstok:

7Welnu, de wijngaard van de HERE der heerscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn de planten waarin Hij vreugde heeft; Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, het was bloedbestuur; rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting
(Jesaja 5:7)

In deze vergelijking wordt het huis van Israël gezien als de wijngaard en het huis van Juda als de planten, de wijnstokken dus. In Johannes 15:5 verklaart Jezus zichzelf tot de Ware Wijnstok, de echte dus in tegenstelling tot Israël en Juda

1Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. 2Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage.
(Johannes 15:1-2)

God de Vader is dus degene in deze vergelijking die de snoeischaar in de hand heeft, het is dus God de Vader die ranken zonder vrucht wegknipt en in het vuur doet belanden. Als je deze vergelijking doortrekt naar de edele olijfboom in Romeinen 11 dan mag duidelijk worden dat niet Israël maar Jezus de olijfboom vertegenwoordigt en dat het God de Vader is die de ongelovige edele takken wegbreekt, namelijk de ongelovigen uit Israël, en vervangt door gelovigen uit de volkeren, die als wilde loten geënt worden op de edele olijf, op Jezus dus. Ongelovige Joden worden vervangen door gelovige heidenen, dit is wat we verstaan met vervangingstheologie, Israël geroepen om in Christus te zijn, is hier vanwege ongeloof niet aan toegekomen, en moet dus plaats maken voor andere gelovigen, namelijk uit de volkeren. In Matheus 21:33-46, Marcus 12:1-12 en Lukas 20:9-19 geeft Jezus een gelijkenis, het betreft hier het feit dat er een heer is die een wijngaard aanplant en deze verhuurt aan pachters die haar moet bewerken als landbouwers. Als echter het moment komt dat er van de opbrengst moet worden afgedragen aan de eigenaar en hij zijn knechten stuurt om deze opbrengst in ontvangst te nemen dan blijkt dat de landbouwers niet van plan zijn om de pacht op te brengen. Als de eigenaar dan uiteindelijk zijn zoon stuurt prikkelt dit de huurders om de zoon te vermoorden:

6Toen had hij nog één over, zijn geliefde zoon. En ten laatste zond hij deze tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. 7Maar die pachters zeiden tot elkander: Dit is de erfgenaam; komt, laten wij hem doden en de erfenis zal aan ons komen. 8En zij grepen en doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard.
(Marcus 12:6-8)

De pachters of landbouwers zijn het volk Israël en de Joodse leiders van die tijd. Het argument wat zij hanteren is dat zij uit zijn op de erfenis, en daarvoor bereid zijn de erfgenaam te vermoorden. Jezus is de erfgenaam, Israël maakt dus geen aanspraak op de erfenis en de daaraan gekoppelde beloften, de enige manier waarop zij deel kunnen krijgen aan de beloften is als zij verbonden zijn met de erfgenaam en op deze wijze mede-erfgenamen worden met Christus, samen met de gelovigen uit de volkeren.

43Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.
(Mattheus 21:43)

Jezus voorzegt de joodse leiders en hun gevolg dat het Koninkrijk van hen weggenomen zal worden en  gegeven aan andere pachters of landbouwers die wel de vrucht zullen opbrengen, die God toekomt. Het gevolg in de tijd van Jezus was dat de joodse leiders Jezus wilden grijpen en doden. De Joden waren jaloers op de gelovigen, zowel Jood als Heiden, met als gevolg dat er een grote vervolging plaats vond die beschreven is in het boek Handelingen.

Ik hoor vaak dat wij de Joden tot jaloersheid zouden moeten wekken, zodat hun hart zacht zou worden, om hen op die manier klaar te stomen voor het evangelie. Wat echter uit de gelijkenis van Jezus en de daaraan gekoppelde gevolgen blijkt is dat deze jaloezie niet positief van aard is maar je reinste afgunst. Door de eeuwen heen hebben joden altijd deze waarheid, namelijk dat de gemeente in de plaats gekomen is van het volk Israël, bestreden. In deze tijd vindt je dit fenomeen terug binnen de kerken, vaak aangemoedigd door een zogenaamd collectief schuldgevoel over de Holocaust en andere vormen van jodenvervolging waar de kerk zich schuldig aan zou hebben gemaakt. Het gevolg is dat binnen grote delen van de theologie Jezus vervangen wordt door Israël en dat lijkt mij de geur van godslastering om zich heen te dragen.

We zijn begonnen met de vaststelling dat Jezus de erfgenaam is en dat alle beloften betrekking hebben op Hem en dat er buiten Hem geen enkele aanspraak kan worden gemaakt op welke belofte dan ook. Dit is zoals Paulus het omschrijft:

 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:29)

Om deel te hebben aan de nalatenschap van Abraham, moeten wij van Christus zijn, en buiten Hem wacht ons het oordeel, alleen gelovigen van welke afkomst dan ook, zowel Jood als Heiden, kunnen hier aanspraak op maken. En laat de Joden dan maar jaloers zijn en dit fel willen bestrijden, dit is de enige waarheid, alleen als zij bereid zijn zich te vernederen en zich te bekeren kunnen zij terug geënt worden op de edele olijf en dat is Jezus alleen.

1Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken, naar wier gebied de HERE, uw God, u verdreven heeft, 2en wanneer gij u dan tot de HERE, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel – 3dan zal de HERE, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de HERE, uw God, u verstrooid heeft. 4Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de HERE, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; 5de HERE, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen. 6En de HERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de HERE, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft. 7De HERE, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden en uw haters leggen, die u vervolgd hebben. 8Gij zult weer naar de stem des HEREN luisteren en al zijn geboden volbrengen, die ik u heden opleg. 9De HERE, uw God, zal u in overvloed het goede schenken bij al het werk uwer handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee, in de vrucht van uw bodem, want de HERE zal weer behagen in u hebben, u ten goede, zoals Hij behagen had in uw vaderen – 10wanneer gij naar de stem van de HERE, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in dit wetboek geschreven staan; wanneer gij u tot de HERE, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel.
(Deuteronomium 30:1-10)

Bekering is dus de voorwaarde voor terugkeer en behoudenis. Het besnijden van het hart is gekoppeld aan het nieuwe verbond, dat betekent dat ook een Jood uitsluitend bij Jezus terecht kan en nergens anders. Zolang ze Jezus niet aanvaarden zullen ze boos het beschuldigende vingertje in de richting van de kerk en het evangelie laten gaan, wij dienen hier niet van onder de indruk te zijn, wij houden vast aan Jezus alleen. Te denken dat er voor Israël, buiten Jezus om nog een toekomst is, moet gezien worden als volslagen onbijbels en moet dus gekenmerkt worden als godslasterlijk.

Dit bericht is geplaatst in Zonder categorie met de tags , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *