Jakobus 5:1-6

  1. Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over de rampen, die u zullen overkomen.

  2. Uw rijkdom is verrot, uw klederen zijn door de mot aangevreten,

  3. uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.

  4. Zie, het loon, dat door u is ingehouden van de arbeiders, die uw landen hebben gemaaid, schreeuwt, en het geroep van hen, die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Here Sebaot.

  5. Gij hebt op aarde weelderig geleefd en u te goed gedaan, gij hebt uw hart vetgemest in de slachttijd.

  6. Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u.

Commentaar:

Als ik vers 4 lees en parafraseer naar onze tijd zou dit dan zo moeten klinken:

“Zie, het loon dat is ingehouden van de arbeiders die uw spijkerbroek genaaid  hebben, uw Ikea-kastje gemaakt hebben en uw call-centrum bevolken, schreeuwt, en het geroep van hen die uw koffie verbouwd hebben, is doorgedrongen tot de oren van de Here Sebaot” ?

Leven wij weelderig over de ruggen van mensen in de derde wereld?

Suggereert deze tekst niet dat onze rijkdom en ons bezit tegen ons zal getuigen zodat we zullen branden, en dat wellicht in de hel?

Laten we eens eerlijk zijn. Betekent deze tekst niet gewoon dat mensen, die rijk zijn geworden over de ruggen van anderen, niet behouden zijn, maar verloren gaan?

En hoe zit het met Gods perspectief op onszelf als rijke westerlingen?

Dit bericht is geplaatst in Gelezen in de bijbel met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *