Het Huis van God

Het gedeelte dat volgt is een fragment uit mijn boek “Jezus en de Joden” behandeld vanuit het evangelie en de eerste brief van Johannes, uitgegeven bij Brave New Books (link om te bestellen)

1Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; 3en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.4En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg. 5Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? 6Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
(Johannes 14:1-7)

Het gedeelte wat voor ons ligt is volgens mij één van de meest verkeerd uitgelegde teksten. Deze teksten worden vaak gebruikt in relatie tot begrafenissen. Als je maar gelooft in God en ook in Jezus, dan mag je uiteindelijk bij de wederkomst van Jezus je woning betrekken die Jezus voor jou heeft ingericht. De vraag die mij al jaren bezig houdt is of dit wel de juiste uitleg van dit gedeelte is. We zijn aanbeland in het laatste stuk onderwijs dat Jezus meegeeft aan zijn discipelen. Dit laatste stuk begon in Johannes 13 met aanschouwelijk onderwijs over onderlinge dienstbaarheid. De strekking van het hele betoog is gericht op de tijd die aanstaande is, namelijk de tijd dat Jezus weggaat en hen, deze 11 resterende discipelen alleen achter laat. Hij begint dan ook met de opmerking dat “hun hart niet ontroerd” moeten zijn over zijn vertrek, later voegt Hij daar nog het volgende aan toe:

Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
(Johannes 16:7a)

Het feit dat Jezus fysiek niet meer bij hen zal zijn is niet alleen een reden tot verdriet en zorg, maar wordt door Jezus zelfs betiteld als “beter voor U”. De hele context is gericht op het feit dat Jezus niet meer fysiek aanwezig zal zijn, en wil een uitleg zijn van het “hoe en wat” dat deze verandering met zich meebrengt, niet gericht op de verre toekomst, maar op de situatie die direct aanstaande is. Het hele stuk vanaf Johannes 14 tot en met 17 gaat hierover en heeft dus niets te maken met de toekomstige wederkomst van Jezus.

Het eerste waar Jezus toe oproept is om in God en in Hem te geloven. Dit geloof is cruciaal voor de tijd die komt. De tijd die komt is een geloofsrealiteit, die niet gezien kan worden door de wereld.

33Jezus dan zeide: Nog korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft.
34Gij zult Mij zoeken en niet vinden en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
(Johannes 7:33-34)

Dit gold toen voor de omstanders, de Joden, maar geldt nog steeds voor een ieder die niet in Hem gelooft. Deze geloofsrealiteit is geestelijk en niet fysiek.

Het tweede waaraan Hij refereert is “het Huis van mijn Vader”. De vraag die dan gesteld moet worden is wat dit Huis van mijn Vader inhoudt. Is dit een soort huis in de hemel waar wij in de toekomst aanspraak op mogen maken of is dat iets voor vandaag. Even een paar teksten:

19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams.
22Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had.
(Johannes 2:19-22)

In deze tekst is Jezus zelf de tempel, het huis van God dus. En verder deze uitspraak van Paulus:

Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.
( 1 Timoteüs 3:15)

In deze tekst is de gemeente van Jezus Christus het Huis van God. De vraag die dan rijst is of het Huis van de Vader waar de tekst in Johannes 14 het over heeft, niet gewoon hetzelfde is, namelijk Jezus zelf en de gemeente van vandaag.

Het woord woning in deze tekst is het Griekse woord MONE (Strong G3438 μονή ) wat zoiets betekent als woonplaats of verblijfplaats. Dit woord is afgeleid van het werkwoord MENO (Strong G3306 μένω ) wat de betekenis heeft van blijven, verblijven of wonen en wordt in hoofdstuk 15 van het evangelie van Johannes vertaald met blijven:

blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
(Johannes 15:4)

Als Jezus in hoofdstuk 15 dus praat over blijven, en waar iedereen het over eens is dat dit slaat op de huidige relatie, die wij met God, met Jezus hebben, dan lijkt het mij logisch dat met het huis van de Vader in hoofdstuk 14 de huidige verblijfplaats wordt bedoeld en niet iets voor de verre toekomst. Dat wordt nog eens onderstreept door de uitspraak van Jezus: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”. De tabernakel van Mozes kende drie toegangen namelijk de toegang tot de voorhof, de toegang tot het heilige en de toegang tot het Heilige der Heiligen, deze toegangen werden in de joodse traditie respectievelijk, “de weg, de waarheid en het leven genoemd”. Wat Jezus hiermee zegt is dat Hijzelf de toegang is tot het Huis van de Vader, zowel van de Voorhof, met het altaar en het wasvat, maar ook van het Heilige, met de kandelaar, de tafel van de toonbroden en het reukofferaltaar, en als laatste ook van het Heilige der Heiligen waar eens de Ark van het verbond stond met het verzoendeksel. In Hebreeën worden deze zaken een voorafschaduwing genoemd van Jezus:

…Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken,
…Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, …
(Hebreeën 9:9; 10:1a)

Het is dan ook van het grootste belang om deze zaken mee te wegen bij de uitleg van de tekst. Als Jezus dan ook zegt dat Hij heengaat om ons plaats te bereiden, dan slaat dat op de situatie die ontstaat als de Trooster, namelijk de Geest der waarheid wordt gezonden. Ons wordt in Hem een plaats aangeboden. Paulus spreekt hier uitgebreid over in zijn brief aan de Efeziërs:

4God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, 6en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, 7om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus
(Efeziërs 2:4-7)

Dit is dus de toestand van vandaag, waar wij deel aan hebben door het geloof.

8Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. 9Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? 10Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. 11Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.
12Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; 13en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. 14Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.
(Johannes 14:8-14)

Filippus vraagt vervolgens om een fysieke manifestatie van God de Vader. God de Vader zou door Jezus getoond moeten worden in onze wereld, de fysieke wereld. Hoewel dit een authentiek verlangen is vergelijkbaar met het verlangen van Mozes om God te zien en dat van Elia die God gezien heeft is het enige dat Jezus vervolgens doet, is verwijzen naar zichzelf als de ultieme openbaring van de Vader. Jezus als het vleesgeworden woord is de openbaring van de Vader bij uitstek. In Mattheus 14 verklaart Jezus de discipelen zalig vanwege het feit dat zij Hem zien.

16Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. 17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.
(Mattheus 14:16-17)

Voor velen uit het oude verbond was er dat overweldigende verlangen om de aanwezigheid van de Messias, Jezus te mogen zien en naar Hem te mogen luisteren, maar zij hebben dit niet mee mogen maken. De discipelen echter mochten dit wel meemaken. Je zou de conclusie kunnen trekken dat hoe groot de openbaring van God ook geweest mag zijn onder het oude verbond, de aanwezigheid van Jezus te midden van hen veel groter is. De discipelen hebben Hem zelf meegemaakt, niet alleen als persoon maar ook de werken die Hij voor hun ogen gedaan heeft, dát mag de ultieme basis zijn voor hun geloof, en niet zozeer de bovennatuurlijke manifestatie van God de Vader. Vanuit dat geloof, als dat gefundeerd is in deze openbaring, namelijk de openbaring van Jezus Christus, zullen zij ook in staat zijn grote werken te doen, wellicht zelfs werken die groter zijn dan die van Jezus.

Als Jezus aan de discipelen uitleg geeft over de tijd die er aankomt, en hen wijst op het huis van de Vader, dan wordt in de verdere context nergens verwezen naar een utopische realiteit, straks in de hemel, maar worden zij gewezen op het geloof, dat zij nodig hebben om staande te blijven in deze wereld en daaraan gekoppeld de werken die zij mogen verrichten op basis van dat geloof. Zoals we zullen zien gaat het verdere verloop van dit gedeelte van het evangelie van Johannes over de tijd die aanbreekt als de Heilige Geest, de Geest der waarheid, de Trooster wordt gezonden naar deze wereld om bij hen te zijn, en hen in staat te stellen te leven in de realiteit van het Koninkrijk van God, terwijl ze fysiek nog steeds verbonden zijn met de fysieke realiteit van deze aarde. Het huis van Mijn Vader is dus de realiteit in geloof waarin wij vandaag mogen wandelen terwijl wij lichamelijk aanwezig zijn op deze aarde. In wat er hierna volgt in het evangelie van Johannes, in hoofdstuk 14 tot 17, legt Jezus uit hoe dat verder in zijn werk zal gaan.

Dit bericht is geplaatst in Zonder categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *