
1Toen het volk zag, dat Mozes toefde van de berg af te dalen, verzamelde het zich rondom Aäron, en zeide tot hem: Welaan, maak ons goden, die vóór ons uit gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit het land Egypte heeft gevoerd – wij weten niet, wat er van hem geworden is. 2En Aäron zeide tot hen: Rukt de gouden ringen af, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen en uw dochters zijn, en brengt ze mij. 3Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. 4Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden: Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd. 5Toen Aäron dat zag, bouwde hij daarvóór een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de HERE!
(Exodus 32:1-5)
In de Bijbel in het boek Exodus kunnen we lezen hoe God de Israëlieten bevrijd heeft uit Egypte en hen gebracht heeft bij de berg Sinaï. Het volk heeft de machtige manifestaties van Gods macht en heerlijkheid bij de uittocht mogen zien en beleven om vervolgens deel te mogen hebben aan het feit dat de heerlijkheid van God neerdaalt op de berg Sinaï. God heeft er voor gekozen om zichzelf aan het volk te vertonen, wat gepaard ging met enorme donderslagen, bliksemflitsen en zeer luid bazuingeschal , weliswaar omhuld door een wolk omdat wij mensen de werkelijke heerlijkheid van God niet kunnen zien want dat is dodelijk. Daar bij die ontmoeting geeft God hun beloften mee en de wet en gaat God een verbond aan met het volk. Het volk echter is dermate onder de indruk van alle manifestaties dat zij een herhaling niet zien zitten.
18En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan. 19En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons, opdat wij niet sterven.
(Exodus 20:18-19)
Op dat moment wordt Mozes benoemd tot een soort intermediair tussen God en het volk. Mozes zal voortaan direct met God spreken en het volk zal voortaan luisteren naar Mozes en niet meer rechtstreeks naar God. In Deuteronomium 18 kunnen we lezen dat God er mee instemt
15Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de HERE, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren. 16Juist zoals gij van de HERE, uw God, gevraagd hebt op Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de HERE, mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve. 17Toen zeide de HERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben; 18een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. 19De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen
(Deuteronomium 18:15-19)
God belooft het volk op dit moment dat er in de toekomst een Profeet zal opstaan die wel rechtstreeks tot het volk zal spreken, en deze toekomstige Profeet is volgens Petrus en Stefanus Jezus Christus (zie Handelingen 3:22 en 7:37). Als Mozes vervolgens op de berg bij God is voor de duur van veertig dagen, dan blijkt dat het volk in een dergelijke omgeving niet langer in staat is om te wachten, zij vermoeden dat Mozes definitief verdwenen is en denken dat zij op zoek moeten naar iets of iemand die kennelijk de rol van Mozes als intermediair moet overnemen. Het enige kader wat zij hebben is hun verblijf jarenlang in Egypte waar zij met regelmaat geconfronteerd zijn geweest met de stiergod Apis en de koegodin Hathor en zij besluiten dan ook dat er een gouden kalf gemaakt moet worden dat als het ware tussen het volk en God in zal komen te staan. Het lijkt niet de bedoeling van het volk te zijn om de HERE te vervangen door Egyptische goden maar om dit gouden beeld te gebruiken als plaatsvervanger voor Mozes.
…Morgen is er een feest voor de HERE!
(Exodus 32:5b)
Het volk kiest kennelijk naar beste weten een voor hen bruikbare vorm om de HERE te dienen, zij grijpen terug op wat hun geleerd is binnen de Egyptische godsdienstige praktijk.
Jaren later, direct na de regering van Salomo, zien we hetzelfde fenomeen zich weer voordoen. Jerobeam is koning geworden over het huis van Israël, dat zich losgemaakt had van het koningshuis van David. Als deze Jerobeam geconfronteerd wordt met de gedachte dat het volk moet optrekken naar Jeruzalem om tijdens de feesten voor God te verschijnen dan verzint hij ook een alternatief
26En Jerobeam zeide bij zichzelf: Nu zal het koningschap tot het huis van David terugkeren. 27Indien dit volk optrekt om slachtoffers te brengen in de tempel des HEREN te Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren tot hun heer, tot Rechabeam, de koning van Juda; dan zullen zij mij doden en terugkeren tot Rechabeam, de koning van Juda. 28Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. 29Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Dan.
(1 Koningen 12:26-29)
De tempeldienst die door Mozes was ingesteld functioneerde als een soort tussenstap, zodat het volk God kon ontmoeten in een voor hen “veilige” omgeving, het diende dus als een soort intermediair in de plaats van Mozes, die in zijn hoedanigheid als mens natuurlijk geen blijvende rol zou kunnen spelen, hij is uiteindelijk gestorven. Het volk moest het voortaan doen met de door Mozes geschreven wetten en de door Mozes ingestelde dienst rondom de tabernakel, later in de tijd van David en Salomo vervangen door de tempeldienst in Jeruzalem. Jerobeam was bang dat als het volk op zou trekken naar Jeruzalem dat zij dan ook terug zouden keren onder de vleugels van Rechabeam de zoon van Salomo en David. Hij bedacht iets waarmee hij hen wilde weerhouden om op te trekken en het volk in de illusie te laten dat zij ook in Dan en Betel bij de gouden kalveren de HERE zouden kunnen ontmoeten.
4Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen…
(Exodus 20:4-5a)
Het gebruik maken van fysieke voorwerpen van welke soort dan ook zou van God een karikatuur gemaakt hebben, niets wat deze schepping heeft voortgebracht kan de majesteit van de Schepper representeren. Het beeld wat wij van God hebben wordt alleen maar kleiner, afhankelijk van wat wij ons kunnen voorstellen, wij worden dan als het ware de schepper van God. Alleen de tempeldienst mocht functioneren als een soort weerspiegeling om ons begrip van wie God is naar een hoger plan te tillen. In de brief aan de Hebreeën wordt uitgebreid aandacht besteed aan dit onderwerp.
5Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg.
(Hebreeën 8:5)
Onder het oude verbond werden de tabernakel van Mozes en de tempel in Jeruzalem gezien als woonplaats van God, in beide gevallen was bij de inwijding de heerlijkheid van God neergedaald en had de tabernakel en later de tempel vervuld (zie hiervoor Exodus 40:34 en 2 Kronieken 7:1). Als je dan begrijpt dat onder het nieuwe verbond de tempel of het huis van God geen fysiek gebouw meer is maar de persoon Jezus Christus en in het verlengde hiervan de gemeente van Jezus Christus gezien kan worden als tempel of huis van God, dan mag duidelijk zijn dat Mozes op de berg een blik heeft mogen werpen in de geestelijke werkelijkheid van God, waar hij Jezus gezien heeft en hij heeft daar de opdracht gekregen om de Zoon van God uit te beelden in de vorm van de tabernakel en alle ceremonieel daaromheen. Voor de duidelijkheid eerst nog maar een paar teksten.
19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen. 20De Joden dan zeiden: Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen? 21Maar Hij sprak van de tempel zijns lichaams. 22Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had.
(Johannes 2:19-22)
15Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid
(1 Timoteüs 3:15)
16Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?
(1 Korintiërs 3:16)
Het vervangen van Mozes en later de tempel in Jeruzalem door een gouden kalf wordt door God dan ook uitdrukkelijk afgewezen en heeft uiteindelijk geleid tot de beëindiging van het verbond en de verschillende ballingschappen die daarmee gepaard gingen. Fysieke beelden en voorwerpen zijn kennelijk niet in staat om als weerspiegeling of schaduw te dienen, alleen Jezus kan laten zien wie God is.
…wie Mij (Jezus) gezien heeft, heeft de Vader gezien;..
(Johannes 14:9)
15Hij (Jezus) is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping,
(Kolossenzen 1:15)
Als we dan nu naar onze tijd gaan, dan mag duidelijk zijn dat alle ogen gericht moeten zijn op Jezus alleen. Wàt ook bedacht wordt dat zou kunnen dienen als focuspunt buiten Jezus om is te vergelijken met het creëren van een gouden kalf, een overtreding van het tweede gebod dus.
2Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs,…
Hebreeën 12:2a)
Sinds John Nelson Darby halverwege de negentiende eeuw op de proppen kwam met zijn dispenstatieleer, geholpen in het begin van de twintigste eeuw door de zogenaamde Scofield Referents Bible, die deze leer had verwerkt in zijn commentaar, met daaraan gekoppeld de opname van de gemeente, is er scheiding gemaakt tussen Israël enerzijds en de gemeente anderzijds. Wat er nog bij kwam is het hele verhaal rondom de tweede wereldoorlog en daaraan gekoppeld de oprichting van de staat Israël, dit heeft bij velen een verschuiving in focus van “Jezus alleen” naar Jezus en Israël tot gevolg gehad, de hele eschatologie ofwel leer over de eindtijd is gericht geworden op het Midden-Oosten en Israël. Bij heel veel christenen van Evangelische en Reformatorische signatuur lijkt er duidelijk een verschuiving op te treden in focus, alle ogen lijken gericht te zijn op dat kleine landje in het Midden-Oosten, en de hele toekomstverwachting wordt daaraan opgehangen. Het gevolg is dat er een oogje dicht geknepen wordt als het gaat om zaken die niet door de beugel zouden kunnen als wij ons daaraan schuldig zouden maken. Ons koloniale gedrag mag hier en daar wat goeds met zich meegebracht hebben, maar voor de autochtone bevolking in de gekolonialiseerde gebieden heeft dit heel veel schade gebracht. Het toe-eigenen van andermans grondgebied en bezit heet diefstal, het onderdrukken van plaatselijke bevolking gepaard gaande met moord en doodslag is een overtreding van het zesde gebod:
13Gij zult niet doodslaan.
14Gij zult niet echtbreken.
15Gij zult niet stelen.
16Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
17Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
(Exodus 20:13-17)
Dit zijn een paar geboden die rechtstreeks uit de mond van God komen en door de vinger van God zelf op stenen tafels geschreven, deze geboden zijn universeel van toepassing en maken zelfs onderdeel uit van de universele rechten van de mens, niet alleen voor het volk Israël van toen, maar ook voor de mensheid in zijn geheel, dus specifiek ook voor ons christenen en natuurlijk is dit ook van toepassing voor de huidige staat Israël. Er wordt dan een beroep gedaan op andere Bijbelteksten die het gedrag van Israël en het IDF rechtvaardigen. Het land zou aan de joden toebehoren, dat zou betekenen dat zij het recht hebben het land zich toe te eigenen met alle desastreuze gevolgen die dat heeft voor de plaatselijke bevolking die daar al eeuwen woont.
32Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.
(Romeinen 1:32)
Door de focus te verleggen van “Jezus alleen” naar Israël en wellicht een beetje Jezus erbij, wordt er binnen de genoemde kringen heel vaak een oogje dichtgeknepen. Met name christenen zouden de rechtseis van God bij uitstek moeten kennen, toch zijn zij op basis van deze focus geneigd om bijval de geven aan de door Israël begane gruweldaden. Als we daarentegen onze focus uitsluitend op Jezus houden dan zou er een andere houding verwacht mogen worden. Het verleggen van de focus van God zelf en Jezus Christus, destijds in de vorm van gouden kalveren en in de tijd van Jezus en de apostelen de pracht en praal van het tempelcomplex, resulteert bijna automatisch ook in het verschuiven van de moraal. Voor het huis van Israël en het huis van Juda resulteerde dit in het verwijderd worden van het volk uit het land, en voor het restje Israël wat er nog was aan het begin van de nieuwtestamentische tijd resulteerde dit in de vernietiging van Jeruzalem en haar tempel en het verdrijven van het overblijfsel van het volk Israël voor zover ze Jezus Christus hadden afgewezen, met uitzondering van die Israëlieten die Jezus wel hadden ontvangen, zij zijn door God beschermd geweest en ondergebracht in het nieuwe volk van God, de gemeente van Jezus Christus. Hierbij is alle onderscheid die te maken heeft met etniciteit definitief opgeheven.
9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: 10u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.
(1 Petrus 2:9-10)
Als God Abram roept dan doet God dat met een reeks beloften
1De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
(Genesis 12:1-3)
Van alle hier aangegeven beloften is Jezus Christus de erfgenaam, beide is dus waar als je Abram zegent ben je gezegend, als je Abram daarentegen vervloekt ben je vervloekt, als Jezus de erfgenaam is dan zijn we gezegend als wij Hem zegenen en zijn wij vervloekt als wij Jezus vervloeken. De overgrote meerderheid van het huidige joodse volk vervloekt Jezus Christus en moet derhalve gezien worden als een vervloekt volk, de ware gemeente van Jezus Christus zegent Hem en is derhalve door Hem gezegend.
2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen…
(Hebreeën 1:2a)
9Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.
(Galaten 3:9)
16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.
(Galaten 3:16)
26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
(Galaten 3:26-29)
Tot aan het midden van de negentiende eeuw was de centrale focus van het ware christendom gericht geweest op Jezus alleen, vanaf het midden van de negentiende eeuw is de focus langzaam verschoven in de richting van Israël, dat op grond van de bijbel gezien moet worden als een vervloekt volk. Deze verschuiving van focus plaatst ons buiten de beloofde zegeningen omdat wij Jezus en zijn gemeente niet meer de plaats geven die zij verdienen, deze verschuiving staat dus gelijk aan het oprichten van een gouden kalf, het maakt in deze niet uit of het kalf gemaakt van oud schroot of van kostbaar goud, het is en blijft een gruwel in Gods ogen.
4Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verzaakt hebt. 5Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe (weder) uw eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij u niet bekeert.
(Openbaring 2:4-5)
Als wij ons in deze evangelische of reformatorische kringen niet bekeren van het feit dat niet Jezus onze eerste liefde is maar dat van het gouden kalf Israël onze eerste liefde is gemaakt dan belooft Jezus dat op een gegeven moment onze kandelaar zal worden weggenomen met alle gevolgen van dien.
