Volk van God

De grote vraag die vandaag de dag weer bijzonder actueel is, is de vraag of het huidige Israël, het joodse volk, het volk  van God is. Sinds het uitbreken van de oorlog met Hamas worden we van diverse kanten uitgedaagd om naast Israël te gaan staan, de reden die hiervoor wordt aangegeven is dat Israël het volk van God is, dat de huidige staat Israël de vervulling is van oudtestamentische beloften.

De  grote vraag die bij mij steeds weer naar boven komt is of deze stellingname, namelijk dat het huidige Israël het volk van God is en onze onvoorwaardelijke steun dient te krijgen, bijbels gezien wel klopt.

Laten we eens een paar Bijbelteksten op een rijtje zetten.

Als we terug gaan naar de verbondsluiting op de Sinaï, een soort huwelijksverbond, waar God het toenmalige Israël aanneemt als zijn volk, dan lezen we in Exodus 19 dat hierbij sprake is van een verbond dat gekoppeld is aan voorwaarden. Even de tekst:

Exodus 19:3-6

Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.

Met het woord indien wordt duidelijk aangegeven dat om het volk van God te zijn, zijn kostbare eigendom, dat zij zich dan dienen te houden aan de voorwaarden.

We weten uit de bijbel dat het met het Israël van toen al meteen mis ging, als zij besluiten om een gouden kalf te maken (zie hiervoor Exodus 32)

Bij de aankondiging dat God een nieuw verbond gaat maken zegt Jeremia in Jeremia 31:31-34 het volgende:

Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN , dat Ik met het Huis van Israël en het Huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord des Heren . Maar dít is het verbond, dat Ik met het Huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren : Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE : want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN , want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.

De vraag die nu gesteld moet worden is wie kan aanspraak maken op dit nieuwe verbond, is dat nog steeds Israël of moeten we breder kijken? Uit de tekst blijkt duidelijk dat het Huis van Israël en het Huis van Juda beide dit oude verbond verbroken hebben, er is dus een nieuw verbond nodig.

Als Paulus in de brief die hij geschreven heeft aan de Hebreeën deze tekst uit Jeremia citeert dan voegt hij daar het volgende aan toe in Hebreeën 8:6-8;13

Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust. Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede.

Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.

Het nieuwe verbond is dus een beter verbond en berust op betere beloften. Bij het eerste verbond was de wet geschreven op stenen tafelen, bij het tweede, het nieuwe krijgen wij de wet op ons hart geschreven.

N.B. Een huis is bedoeld als woonplaats, in dit geval een woonplaats voor God, het ware Huis van Israël is dus de plaats waar de HERE woont te midden van het volk, en dat is de realiteit waar de gemeente vandaag in staat doordat de Geest van God in hen woont.

We moeten even terug naar de basis, die we vinden in de persoon van Abraham. God doet op verschillende plaatsen toezeggingen aan Abraham, die bestemd zijn voor hemzelf en zijn nageslacht. Maar wat was zo kenmerkend aan de persoon en het leven van Abraham? We lezen in Genesis 26: 4-5 de volgende uitspraak van God aan het adres van Izaäk over Abraham:

En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat Abraham naar Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.

Wat hier over Abraham gezegd wordt is karakteristiek voor hem. Om gezien te kunnen worden als nageslacht moeten we voldoen aan dezelfde karakteristieken. Luisteren naar de stem van God en zijn dienst, zijn verbond, zijn wetten in acht nemen, dat was kenmerkend voor Abraham en is dus ook kenmerkend voor diegene die gezien wil worden als nageslacht van Abraham. In Romeinen 4:11 wordt Abraham ook de vader genoemd van de onbesneden gelovigen, kenmerkend hierbij is het “geloof dat hem tot gerechtigheid wordt gerekend”. Iedereen die dus het geloof van Abraham heeft mag dus gelden als nageslacht. Israël onder het oude verbond voldeed niet aan de voorwaarden en heeft te maken gekregen met een reeks van oordelen. Het begon al met het intrekken van de toezegging dat zij een koninkrijk van priesters zouden zijn, maar ook later alle vijandige aanvallen, nog later de scheuring van het rijk, weer later de verschillende ballingschappen en als allerlaatste de vernietiging van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70 en daarmee het definitieve einde van alle ceremonieel wat gekoppeld was aan het oude verbond en de tempel. Ten diepste was er maar een reden voor te noemen namelijk ongeloof resulterend in ongehoorzaamheid.

De vraag die nu gesteld moet worden is of het huidige Israël voldoet aan de voorwaarden. De bevolking is overwegend atheïstisch, gelooft niet in God, slechts een minderheid is een aanhanger van het Jodendom als godsdienst en een nog kleinere minderheid bestaat uit christenen, veelal onder de noemer van Messias belijdende Joden. Is hier sprake van geloof als basis voor het bestaan van Israël of juist het tegendeel?

We gaan in het nieuwe testament kijken naar een aantal teksten die ons laten zien waar het volk van God, anders gezegd de kinderen van God aan moeten voldoen om gezien te kunnen worden als nageslacht van Abraham.

Johannes 1:11-13

Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.

Johannes 3:3; 5-8

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.

Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is.

Galaten 3:16; 29

Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.

Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Romeinen 9:6-8

… Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht.

Romeinen 10:1-5

Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

Want Christus is het einde (bestemming) der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

1 Petrus 2:9-10

Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.

Openbaringen 5:9-10

En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.

Bovenstaande is maar een kleine bloemlezing. Om gezien te worden als nageslacht van Abraham moeten we het geloof van Abraham bezitten, moeten we uit de geest geboren zijn, moeten we in Christus zijn. Jezus Christus is uiteindelijk de enige die volledig voldoet aan alle voorwaarden. In de Talmoed claimen de joden dat zij ooit met de Messias zullen regeren, het nieuwe testament laat duidelijk een ander plaatje zien. Uit Openbaring 20:4 is duidelijk op te maken wie met Christus mogen regeren:

En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en (ik zag) de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang.

Heel veel claim dat Israël, het Joodse volk, het volk van God is kan op grond van de bijbel niet overeind gehouden worden. Door mee te gaan in dit gedachtegoed, hoe oprecht ook, worden we beroofd van onze identiteit, die wij ontvangen hebben in Christus, worden we beroofd van de daaraan gekoppelde erfenis en laten we ongeloof toe die er uiteindelijk toe zal leiden dat we niet wandelen in overeenstemming met wat God in de bijbel voor ons heeft. Het huidige Israël voldoet tot op de dag van vandaag niet aan de voorwaarden en kan zich ook niet beroepen op zogenaamde Bijbelse beloften te aanzien van het land, waar zij menen recht op te hebben. God heeft in het begin van onze jaartelling de Joden de wereld ingestuurd, dit was oordeel van God vanwege ongeloof en ongehoorzaamheid gekoppeld aan het afwijzen van Jezus Christus, alleen die Joden die voldoen aan de gestelde voorwaarden zouden iets te claimen hebben, en  die staan duidelijk vermeld in Deuteronomium 30:1-3

Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken, naar wier gebied de HERE, uw God, u verdreven heeft, en wanneer gij u dan tot de HERE, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel – dan zal de HERE, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de HERE, uw God, u verstrooid heeft.

Maar dan nog, dit is wat de bijbel zegt over de beloften die God gegeven heeft in 2 Corinthiërs 1:20

Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons.

Buiten Jezus Christus valt er voor niemand ook maar iets te claimen, Hij is de erfgenaam van alle beloften (Hebreeën 1:2), Hij is de enige rechtmatige eigenaar van het land, omdat de hele wereld hem toebehoort.

Openbaring 21:1-8

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.

Dit bericht is geplaatst in Gelezen in de bijbel met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *