Psalm 119:1-8
1 Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn,
die in de wet des Heren gaan.
2 Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren,
die Hem van ganser harte zoeken;
3 die ook geen onrecht plegen,
(maar) wandelen in zijn wegen.
4 Gij hebt uw bevelen geboden,
opdat men die ijverig onderhoude.
5 Och, dat mijn wegen vast waren
om uw inzettingen te onderhouden.
6 Dan zou ik niet beschaamd staan,
als ik op al uw geboden zie.
7 Ik zal U loven in oprechtheid des harten,
wanneer ik uw rechtvaardige verordeningen leer.
8 Uw inzettingen zal ik onderhouden;
verlaat mij niet geheel en al.
De psalm begint met twee zaligsprekingen, Jezus doet hetzelfde als hij zijn onderwijs, de zogenaamde Bergrede begint in Mattheus 5, de wet is dan ook niet bedoeld als een keurslijf, maar als een eenvoudige standaard voor ons leven. Jezus heeft als voorbeeld voor ons deze standaard dagelijks uitgeleefd. Het is dan ook bedoeld om Hem na te volgen. Hij is het levende woord, de levende wet (torah) zou je kunnen zeggen. Als Christus in ons is, dan is te verwachten dat Hij ook door ons heen zichtbaar wordt, ook in het feit dat we leven zoals Hij leefde, conform deze standaard. In vers 5 is de psalmist, hoewel hij het verlangen uitspreekt om zich aan Zijn inzettingen te houden, zich bewust dat hij niet volmaakt is. Voor ons is dat ook van belang, dat we ons hiervan bewust zijn en net als de psalmist gaan uitroepen naar God voor hulp.

