Een ander evangelie
Inleiding
1Och, verdroegt gij een weinig onverstand van mij! Maar dat doet gij ook. 2Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen. 3Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige [en loutere] toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. 4Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel. 5Ik acht toch volstrekt niet te hebben ondergedaan voor die onvergelijkelijke apostelen. 6Ben ik dan al onervaren in het spreken, in kennis ben ik het niet, maar wij hebben die alleszins en in alle opzichten bij u openbaar gemaakt.
(2 Korinthiërs 11:1-6)
Al vanaf het vroegste begin van het nieuwe testament wordt duidelijk dat de eenvoudige waarheid van het evangelie van Jezus Christus zwaar onder druk staat. In bovenstaande tekst geeft Paulus aan dat dit een onderdeel is van de strategie van de duivel om ons op een dwaalspoor te leiden. Al direct na de schepping worden Adam en Eva verleid om de door God aangegeven waarheid achter zich te laten en te buigen voor leugenachtige manipulatie van de slang, met alle gevolgen van dien. Direct na de verbondsluiting met Israël, beschreven in Exodus, die plaats vond onderaan de berg Sinaï is het binnen 40 dagen al mis als de Israëlieten menen dat een ronddansje rondom een gouden kalf, wel acceptabel zou moeten zijn voor God, wat tot gevolg had dat Mozes de van God gegeven stenen tafelen aan gruzelementen moet laten vallen, om op die manier de Israëlieten duidelijk te maken dat zij het nog verse verbond meteen al hebben verbroken. Het is dus niet vreemd dat bij de totstandkoming van het nieuwe verbond, waar wij deel aan hebben gekregen met de komst van Jezus Christus, de duivel er direct boven op gaat zitten in een poging om ongedaan te maken wat door Jezus in ons leven tot stand gebracht is. Eén van de voorbeelden van aanvallen op het evangelie is de opkomst van de Gnostiek, vooral in de tweede en derde eeuw van onze jaartelling, die een andere Jezus verkondigt. Sporen van deze leringen zijn terug te vinden tot op de dag van vandaag. Ook het ontstaan van de Rooms katholieke werkentheologie is zo’n aanval op de eenvoud van het evangelie. Er is door de tijd van twee duizend jaar kerkhistorie veel meer aan te geven wat gezien kan worden als het werk van de antichristelijke Satan. Paulus benoemd in dit tekstgedeelte 3 aspecten. Ten eerste worden we geconfronteerd met een andere Jezus, de benoemde Gnostiek is daar een duidelijk voorbeeld van. In de tweede plaats spreekt Paulus over een andere geest, voorbeelden hiervan zijn te vinden in de on-Bijbelse mystiek en binnen sommige charismatische stromingen. En als laatste benoemt hij een ander evangelie. Het eerste voorbeeld van een alternatief evangelie wordt door Paulus benoemd, dit alternatief heeft de Joodse traditie als bron. Deze misleiding is in deze tijd in grote delen van de reformatorische en evangelische kerken terug te vinden. Aan de hand van de brief aan de Galaten wil ik dit probleem aankaarten, zodat we deze misleiding in deze tijd ook zullen kunnen herkennen.
In de brief aan de Galaten, één van de brieven die Paulus geschreven heeft aan de vroege kerk, wordt dit geadresseerd. In deze brief legt hij een groot conflict bloot wat speelde in grote delen van verschillende gemeenten. Bijna alle brieven van Paulus hebben dit probleem in meer of mindere mate als onderwerp. De brief aan de Galaten is echter het meest uitgesproken en gedetailleerd over deze bedreiging. Om het conflict te kunnen begrijpen zullen we grote delen van deze brief stap voor stap moeten behandelen om zicht te krijgen op alle inn’s en out’s. Zicht krijgen op de zaken die toen speelden, moet ons ook in deze tijd zicht geven op dit onderwerp.
In Handelingen 15 vlak nadat de eerste heidengemeenten ontstaan zien we voor het eerst dit probleem aan de oppervlakte komen.
5Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden.
(Handelingen 15:5)
In Handelingen 15 wordt dan beschreven hoe de vroege kerk hiermee dealt. In de voorliggende brief wordt dit probleem het meest uitgebreid aan de orde gesteld.
De Brief
Het eerste wat opvalt als we de brief gaan lezen is dat, in tegenstelling tot wat bij Paulus gebruikelijk is, in de brief aan de Galaten de dankbetuiging ontbreekt, alsof Paulus behoefte heeft om meteen van start te gaan met het adresseren van het probleem, kennelijk zit hem dit erg hoog. Vanaf vers 6 begint hij dan ook meteen het probleem te adresseren. Eerst maar de tekst:
Galaten 1:6-9
6Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie, 7en dat is geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. 8Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! 9Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!
Paulus gebruikt hier hele grote woorden. Hij bedient zich van de term vervloekt, in het Grieks ἀνάθεμα (anathema Strong G0331), wat de lading heeft dat iemand, wanneer hij dit evangelie omarmt, helemaal als hij dit ook nog gaat verkondigen, daarmee onder de vloek terecht komt, kennelijk staat zijn behoudenis op het spel. Waar gaat het dan om? Het gaat om een ander evangelie, dat afwijkt van datgene wat Paulus hen in eerste instantie heeft onderwezen. Kennelijk vindt Paulus de zuiverheid van het evangelie van doorslaggevende aard. Paulus gebruikt hier verschillende bewoordingen, die samen de juiste indruk geven. In vers 6 het woord ‘ander’, in het Grieks ἕτερος (heteros Strong H2087), hierbij gaat het om een alternatief voor het ware evangelie. In vers 7 gebruikt hij het woord ‘geen’, in het Grieks οὐ (ouStrongG3756), waarmee hij aangeeft dat het helemaal niets te maken heeft met het echte evangelie. Ook gebruikt hij het woord ‘verdraaien’, in het Grieks μεταστρέφω (metastrephō Strong H3344) wat de betekenis heeft van ergens een draai aan geven. Twee keer staat in de Nederlandse tekst het woord ‘afwijkend’, in vers 8 wordt dit de eerste keer omschreven als ‘niet door ons onderwezen’, in vers 9 gebruikt hij de term παρά (para Strong H3844) wat de betekenis heeft van naast of toevoegend. Het gaat dus om een alternatief evangelie, wat afwijkt van datgene wat Paulus heeft onderwezen, en hij geeft daarbij aan dat het niet gezien mag worden als evangelie, maar dat het een verwrongen beeld geeft van de inhoud die gekarakteriseerd wordt door het feit dat men er iets aan toevoegt wat er uitdrukkelijk niet bij hoort. Net zoals bij de wet van God mag er niets van weggelaten worden en ook niets aan toegevoegd worden, zoals Mozes op twee plaatsen aangeeft in Deuteronomium 4 en 12:
2Gij zult aan wat ik u gebied, niet toedoen en daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden van de HERE, uw God, onderhoudt, die ik u opleg.
(Deuteronomium 4:2)
32Al wat ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen.
(Deuteronomium 12:32)
Dat stemt ook overeen met wat Johannes te horen krijgt in Openbaring 22:
18Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; 19en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.
(Openbaring 22:18)
Kennelijk komt het in deze nogal precies, aan het evangelie zoals dat door Paulus wordt verkondigd mag niets (en niets in het Grieks en Hebreeuws betekent gewoon niets) worden toegevoegd, anders komen wij onder de vloek terecht en dat betekent op zijn minst dat we beroofd worden van de zegeningen die verbonden zijn met het evangelie. Hiermee is nog niets gezegd over de inhoud van dit alternatieve evangelie, dat wordt verderop in de brief uitgelegd.
De rest van hoofdstuk 1 en het begin van hoofdstuk 2 is een soort verdediging van de kant van Paulus, kennelijk betrekking hebbend op beschuldigingen aan zijn adres door mensen die aankomen met dit valse evangelie. We gaan verder vanaf hoofdstuk 2:11, waar de eerste elementen naar boven komen drijven in de richting van het grote probleem:
Galaten 2:11-14
11Maar toen Kefas te Antiochië gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan één tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. 13En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij. 14Maar toen ik zag, dat zij niet de rechte weg bewandelden naar de waarheid van het evangelie, zeide ik tot Kefas ten aanhoren van allen: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen?
De grotendeels heidense gemeente in Antiochië werd geconfronteerd met Joden uit de kring van Jakobus uit de gemeente van Jeruzalem. In de beleving van deze groep horen Joden zich afgescheiden te houden van heidenen, zodat zij niet onrein worden door het contact, iets wat ik trouwens niet specifiek heb kunnen vinden in de wet van Mozes, kennelijk gaat het hierbij om een van die zogenaamde Joodse overleveringen. Zij menen dat dit ook van toepassing zou moeten zijn binnen het kader van de gemeente. Deze stellingname is kennelijk dermate overtuigend dat zelfs Petrus en Barnabas zich hierdoor laten beïnvloeden en dus vanaf dat moment weigeren om samen met heidenen aan één tafel te zitten. Paulus geeft aan dat hij daar dusdanig van schrok dat hij gemeend heeft om Petrus publiekelijk hiermee te confronteren. Op andere plaatsen in zijn brieven geeft Paulus duidelijk aan dat er geen onderscheid is tussen Jood en Griek, en dat geldt ook in dit verband.
Wat hier boven komt drijven is dat de bron van de misleiding gevonden moet worden in de Joodse traditie. Niet alleen verzet Paulus zich hier tegen, Jezus verzet zich hier ook uitdrukkelijk tegen, getuige zijn opmerking in Mattheus 15:
6Zo hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering.
(Mattheus 15:6)
In de rest van hoofdstuk 2 geeft Paulus een soort samenvatting van het evangelie, waarin hij benadrukt dat wij, en dat geldt ook voor joden, gerechtvaardigd worden door geloof en niet door werken der wet:
Galaten 2:15-16
15Wij, geboren Joden, en geen zondaars uit de heidenen, 16wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.
Dit is de kern van het pleidooi dat Paulus plaatst tegenover het aangegeven valse evangelie, wat zijn oorsprong vindt in Joods gedachtegoed.
N.B. Paulus gebruikt hier de term ‘wij, geboren Joden’, hij bedoelt hiermee zichzelf samen met zijn natuurlijke volksgenoten. Paulus gebruikt in de hele brief consequent de term ‘wij’ als hij de Joden bedoelt, daar waar hij de term ‘gij’ gebruikt bedoelt hij de gemeente in zijn geheel, en vaak het heidense deel daarvan.
Galaten 3:1a
1O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd,
Paulus lijkt hier grote bewoordingen te gebruiken, ten eerste al dat hij hen onverstandig noemt. Je zou kunnen stellen dat Paulus zoiets zegt als: “denken jullie niet na of zo, hebben jullie geen benul”. In de King James Version wordt het woord foolish gebruikt, wat vertaald kan worden met dom of stompzinnig. En dan de rest van de zin “wie heeft jullie betoverd?” Kennelijk is de misleiding waar we hier mee te maken hebben dusdanig overtuigend dat je er heel snel voor valt. Paulus lijkt hen hiermee op te roepen om zelf goed na te denken en scherp te blijven, anders kom je onder een soort betovering terecht. We hebben eerder geconcludeerd dat dit valse evangelie uit de hoek van de Joodse traditie komt. Van deze traditie is bekend dat zij bol staat van de symboliek die door heel veel mensen enthousiast wordt begroet en in hoog aanzien wordt geplaatst. Ik hoor vaak dat we terug moeten naar een Joodse manier van denken. Jezus en de apostelen waren tenslotte Joden en dat zou inhouden dat zij redeneren vanuit Joods gedachtegoed, dat zouden wij ook moeten leren om de bijbel op de juiste manier te kunnen interpreteren. Terugkijkend hoe ik daar zelf een tijdlang mee omgegaan ben, herken ik veel van wat ik net gesteld heb. Toen ik voor het eerst geconfronteerd werd met onderwijs over de zogenaamde bijbelse feesten was ik daar diep van onder de indruk en geneigd dit als zoete koek te slikken. Ik heb ontdekt hoe overtuigend deze benadering overkomt. Ik ben dan ook een tijdlang betrokken geweest bij een Messiaanse gemeente, waarin de Sabbat, de feesten en natuurlijk ook de wet van Mozes centraal staan of lijken te staan. Ik ben heel erg gefocust geweest op de Hebreeuwse taal, haar letters en de daaraan gekoppelde getalswaarde, net alsof ten diepste alleen de Hebreeuwse taal weer kan geven waar het op aankomt. De Naam van ‘Jezus’ was in die tijd eigenlijk niet goed genoeg, de Hebreeuwse naam ‘Jeshua’ zou eigenlijk gebruikt moeten worden. Dat en nog veel meer van dit soort zaken. Het klink zo indrukwekkend en overtuigend dat het wel waar moet zijn. Dit is naar mijn overtuiging de reden waarom Paulus spreekt over betovering, vanwege de grote overtuigingskracht waar dit onderwijs mee gepaard gaat. Ik heb moeite gehad om hieruit los te breken. Het heeft voor mij toch een jaar of vijf geduurd voordat ik serieuze vragen begon te krijgen of één en ander allemaal wel klopt en bijbels is. De breuk kwam ten gevolge van onder andere het feit dat ik in deze Messiaanse kringen steeds meer Joodse traditie begon tegen te komen. Deze gebruiken komen overduidelijk niet uit de bijbel maar vinden hun basis in de synagogale liturgie en Joods, veelal Talmoedisch onderwijs. Steeds vaker ook liep ik tegen dingen aan waarbij enorme discussies konden ontstaan over de juiste uitspraak van de Naam van God en over zaken zoals kalenders, ook hoorde ik van mensen dat ze Mozes eigenlijk belangrijker begonnen te vinden dan Jezus, soms zelfs zo dat sommigen zich tot het Jodendom bekeerden en dus volledig afscheid namen van Jezus Christus. Ik las op een gegeven moment een uitspraak van een Amerikaanse Rabbijn, deze suggereerde dat de grootste instroom het jodendom binnen, voortkwam uit de Messiaanse kring of zoals hij dat noemde ‘de Hebrew Roots beweging’. Het heeft even geduurd maar ik herken nu duidelijk de toverkracht die uitgaat van dit gedachtegoed, vandaar dat ik hier even specifiek bij stil sta.
Galaten 3:1-5
1O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is? 2Dit alleen zou ik van u willen weten: Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof? 3Zijt gij zó onverstandig? Gij zijt begonnen met de Geest, eindigt gij nu met het vlees? 4Was het dan tevergeefs, dat gij zoveel hebt ondervonden? Ware het slechts tevergeefs! 5Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt, (doet Hij dit) ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?
Als we praten over ‘werken der wet’, dan moeten we eerst stil staan bij wat we met dit begrip bedoelen. De wet kent verschillende insteken, zo zijn er de morele normen, met name vastgelegd in de 10-geboden, daarnaast heel veel voorschriften die te maken hebben met de tempeldienst en de offers, daarnaast nog veel regels die betrekking hebben op de maatschappij en Gods orde daarin. Ook zaken zoals kalenders en de daaraan gekoppelde feesttijden zijn onderdeel van de wet en zo zijn er nog wel meer zaken te benoemen die beschreven zijn in de wet van Mozes.
De vraag die Paulus hier stelt is of het je al of niet houden aan deze regels de basis kan zijn voor het ontvangen van de Geest van God. Dit is een retorische vraag waarop maar één antwoord te geven is, namelijk “NEE”. Werken der wet vormen nergens een basis voor, niet voor het ontvangen van de Geest, ook niet zoals we eerder hebben gezien voor rechtvaardiging. Waarom niet? Omdat niemand kan stellen dat hij zich voor 100 % hieraan houdt en ook niet dat hij zich daar altijd aan gehouden heeft. Paulus zegt daar het volgende over in zijn brief aan de Romeinen:
9Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, 10gelijk geschreven staat:
Niemand is rechtvaardig, ook niet één, 11er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; 12allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden;
er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.
(Romeinen 3:9-12)
Jakobus doet er ook een zegje over dat alleen 100% volstaat:
10Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).
(Jakobus 2:10)
Wil je je dus kunnen beroepen op Gods wet dat kan dat alleen maar als we ons daar 100% op inhoud en 100% van de tijd aan houden en dat kan niemand, Jezus uitgezonderd.
Maar in het oude testament worden we toch opgeroepen om in geval wij de wet hebben overtreden, wij ons bij de priester kunnen melden om een offer te brengen, kan zoiets dan niet als basis dienen? Nee dus, alleen het offer van Jezus aan het kruis volstaat, de tijdelijke voorzieningen rondom de tempel en haar priesterdienst zijn slecht schaduwen, die op Jezus wijzen, als wij deze voorzieningen loskoppelen van de doorkijk naar Jezus, dan zijn ze nutteloos geworden. In de brief aan de Hebreeën wordt dit uitgebreid uitgewerkt, namelijk de verhouding tussen Mozes en Jezus, tussen Aaron en Melchisedek, tussen de aardse tempel in Jeruzalem en de hemelse tempel en alles wat daar verder mee samenhangt.
De enige basis is ‘geloof’, daarnaast is er niets waar wij een beroep op kunnen doen.
Galaten 3:6-9
6Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend. 7Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. 8En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. 9Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.
Pas als wij tot geloof komen ontvangen wij de Geest, maar wat houdt dat dan in? Paulus verwijst naar Abraham in het boek Genesis. Galaten 3:6 is ook gebaseerd op een tekst uit Genesis:
6En hij (Abram) geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.
(Genesis 15:6)
Geloof is dus een begrip dat al zo oud is als de bijbel zelf. Wat is geloof dan? Dat is je toevertrouwen aan God, aan Jezus, aan wat Hij gedaan heeft voor ons in onze plaats en ons volledig met God verzoend heeft, om vervolgens in gehoorzaamheid verder te leven in overeenstemming met Gods wil. Paulus verwoordt het elders als volgt:
8Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; 9niet uit werken, opdat niemand roeme. 10Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
(Efeziërs 2:8-10)
Abraham geloofde in God en luisterde naar de stem van God en deed gehoorzaam wat God van hem vroeg. De gehoorzaamheid op zich kon hij geen beroep op doen, hij moest zich overgeven aan dat wat God beloofd had, en dit werd hem toegerekend tot gerechtigheid, God heeft hem gerechtvaardigd, dit was geen persoonlijke prestatie op zich. Als zodanig is hij (Abraham) de vader geworden van alle gelovigen, iedereen die hetzelfde geloof heeft mag verwachten op dezelfde manier gerechtvaardigd te worden en op grond daarvan de Geest te ontvangen. Onder andere in Johannes 8 komen we tegen dat de Joden claimen dat zij kinderen van Abraham zijn, maar niet alleen Paulus maar ook Jezus gaat hier niet in mee.
39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham; 40maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. 41Gij doet de werken van uw vader. Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben één Vader, God. 42Jezus zeide tot hen: Indien God uw Vader was, zoudt gij Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen. 44Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45Maar omdat Ik u de waarheid zeg – Mij gelooft gij niet.
(Johannes 8:39-45)
Vanwege het feit dat deze Joodse leiders niet in Jezus geloven verklaart Jezus dat zij niet Abraham, maar de duivel tot vader hebben. Alleen als je in Jezus gelooft mag je veronderstellen dat je nageslacht van Abraham bent, dit is wat Paulus ons onderwijst in overeenstemming met de uitspraken van Jezus. Al in Genesis 12:3 geeft God aan Abraham het evangelie, dat in hem, namelijk Abraham, alle volken gezegend zullen worden, niet alleen Israël of de Joden. De claim dat de beloften die God geeft aan Abraham bestemd zouden zijn voor de huidige staat Israël is dan ook volledig uit de lucht gegrepen, alleen gelovigen, zowel onder het oude verbond alsook onder het nieuwe verbond kunnen zich hierop beroepen.
Galaten 3:10-14
10Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. 14Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.
Hoe zit het dan met de wet, waarom kunnen we ons daar niet op beroepen? Paulus citeert hier een tekst uit Deuteronomium 27. In dit hoofdstuk krijgt het volk Israël de opdracht om, als zij het land binnen getrokken zijn, zich op te stellen op twee bergen met een dal tussen hen in. Het gaat hier om de bergen Ebal en Gerizim, 6 stammen op de ene berg, en 6 stammen op de tegenoverliggende berg. De levieten moeten vervolgens uitspreken wat leidt tot vervloeking, een overtreding van de wet dus, en het volk moet daar vervolgens zijn AMEN op uitspreken. Het volk moet als het ware zich onder de vloek plaatsen omdat zij ongehoorzaam zijn geweest aan God:
26Vervloekt is hij, die de woorden van deze wet niet metterdaad volbrengt. En het gehele volk zal zeggen: Amen.
(Deuteronomium 27:26)
Deze tekst, die door Paulus wordt aangehaald is de laatste van een reeks vervloekingen waar het volk mee moet instemmen. Waar bestaat deze vervloeking dan uit? Dat is te lezen in het volgende hoofdstuk, waarin zegen en vloek tegenover elkaar geplaatst worden. Een van deze vervloekingen wil ik er even uitlichten:
63Zoals de HERE er behagen in had om u wèl te doen en u talrijk te maken, zo zal de HERE er behagen in hebben om u te gronde te richten en te verdelgen; en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen. 64De HERE zal u verstrooien onder alle natiën… (Deuteronomium 28:63-64a)
Als Israël zich niet aan Gods wetten houdt, zal God hen uit het land verwijderen en verstrooien onder de volkeren. We weten dat dit op verschillende momenten plaats heeft gevonden. Het huis van Israël is door Assyrië uit het land verwijderd en nooit teruggekeerd, het huis van Juda door Nebukadnezar en in de jaren 70 en 135 van onze jaartelling het laatste stukje door de keizers van Rome. Paulus legt in Romeinen 9 en 10 uit waar dit laatste op gebaseerd is:
1Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. 2Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. 3Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.4Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.
(Romeinen 10:1-4)
Goed bedoelende ijverige Joden, volksgenoten van Paulus hebben ten onrechte gemeend dat zij wel rechtvaardig waren tegenover God. Zoals al eerder aangegeven, namelijk dat minder dan 100% niet volstaat. De bijbel laat ons zien dat Israël op eigen kracht niet in staat is gebleken zich te houden aan de wet, daardoor zijn zij onder de vloek terecht gekomen. Alleen in Christus, dus door het geloof is dit dilemma te verhelpen. Hij is het einde ofwel de eindbestemming van de wet. Hij neemt de vloek voor zijn rekening zodat wij de zegen van Abraham kunnen ontvangen.
Trouwens tussen de bergen Ebal en Gerizim ligt Sichem, de plaats waar God het verbond sluit, met zichzelf ten behoeve van Abraham, dit is te lezen in Genesis 15. Dit is het enige verbond in het oude testament wat God volledig voor zijn rekening neemt, God gaat zelf tussen de vleesstukken door terwijl Abraham in een diepe slaap is.
N.B. Het is niet zozeer door geloof, maar de term die hier en ook op verschillende plaatsen elders gebruikt wordt is ‘hèt geloof’, deze term staat voor het hele pakket van zaken die een relatie heeft met geloof. Het is dus meer dan alleen maar iets voor waar aannemen, het is het hele pakket bestaande uit aantoonbare bekering, geloof en ontvangen van de Geest wat ons maakt tot nieuwe mensen.
Galaten 3:15-18
15Broeders, ik spreek op menselijke wijze: zelfs het testament van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft – niemand kan het ongeldig maken of er iets aan toevoegen. 16Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus. 17Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. 18Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen.
Paulus maakt hier verbinding met het ontvangen van een erfenis door de Erfgenaam. Uit dit gedeelte blijkt dan, hoewel het volk Israël deel heeft aan de beloften die aan Abraham gegeven zijn, zij niet de erfgenaam zijn, maar dat de erfenis bestemd is voor het zaad, namelijk Christus. Even een tekst ter vergelijking:
1Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
(Hebreeën 1:1-2)
Het hele oude verbond loopt uit op Jezus Christus, de Erfgenaam van alle dingen. Het volk Israël kan alleen maar een verwijzing zijn in de richting van Jezus, en uitsluitend op die manier aanspraak maken op de zegeningen van God. De beloften die God geeft aan Abraham geeft Hij op een moment dat de wet van Mozes nog niet gegeven was, en dus nog niet van kracht. In Romeinen 4 legt Paulus dit uitvoerig uit.
Zolang het Zaad niet is gekomen, mag het volk Israël degene zijn die de erfenis beheert, echter zodra het Zaad komt, gaat alles naar de Erfgenaam en is er een einde gekomen aan het beheer van de erfenis, de rol van het volk Israël is vanaf dat moment uitgespeeld. Alleen zij die in Christus zijn kunnen daarna nog aanspraak maken op de beloften, die God aan Abraham gegeven heeft.
Galaten 3:15-25
19Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van (God) door engelen in de hand van een middelaar gegeven. 20Een middelaar is niet (de vertegenwoordiger) van één; God echter is één. 21Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet! Want indien er een wet gegeven was, die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid voortgekomen zijn. 22Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen, die geloven.
23Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. 25Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.
Waarom heeft God dan, als je er toch niet door gerechtvaardigd kunt worden, de wet dan überhaupt gegeven? Ten eerste is de wet bedoeld om aan te tonen dat wij mensen niet in staat zijn daar op eigen houtje aan te voldoen. De wet toont dus aan dat we Jezus nodig hebben en zonder Hem geen toekomst hebben. Jezus, het Zaad, is de Middelaar die voor ons moet bemiddelen, zonder Hem kunnen wij niet staan tegenover God, we zijn als het ware allemaal opgesloten onder het juk van de zonde. De wet dient ervoor om ons te gijzelen, totdat Jezus komt. Hoe zit dat dan? Als ik terugkijk naar de tijd waarop God de wet geeft, zie je dat Israël meteen daarna bij de affaire met het gouden kalf het verbond en de wet verbreekt. Ten gevolge hiervan veranderen er een aantal zaken. In Exodus 19 doet God een belofte:
3Toen klom Mozes op tot God, en de HERE riep tot hem van de berg, en zeide: Zó zult gij zeggen tot het huis van Jakob en meedelen aan de Israëlieten: 4gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. 5Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.
(Exodus 19:3-6)
In plaats van het feit dat zij een koninkrijk van priesters zijn, bestemd voor de wereld, stelt God een ander priesterschap aan, namelijk dat van Aaron, wat verzoening moet doen voor het volk. Vanaf dat moment, vanwege het verbreken van het verbond is het aan Israël beloofde priesterschap niet meer van toepassing, Israël heeft zelf een priester nodig. De hele tempeldienst met al zijn offers zijn op die manier een soort tuchtmiddel geworden waarmee de Israëlieten in geloof een beroep kunnen doen op de komende Messias en hogepriester, zonder Jezus, die voor hen nog toekomst is, is er geen redden aan.
39Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, 40daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.
(Hebreeën 11:39-40)
De grote lijst met geloofsgetuigen uit het oude testament, krijgt pas deel aan de beloften als Jezus verschijnt. Zonder ons, namelijk de gemeente van Jezus Christus, kan niemand, zelfs de meest vrome Jood, deel krijgen aan de volmaaktheid die ons ten deel valt in Christus.
Galaten 3:26-29
26Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. 29Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
Om deel te hebben aan het zoonschap en daarmee deelgenoot te worden van de erfenis, moeten wij ondergedompeld zijn in Christus en met Hem bekleed zijn. Alleen dan zijn wij kinderen van Abraham en erfgenamen met Christus, geslacht en maatschappelijke status doen er helemaal niet toe, maar ook etniciteit, Jood of heiden doet er niet toe. Te claimen dat het Joodse volk als afstammelingen van Abraham, nu of in de toekomst nog een speciale plaats innemen in het grote plan van God is volstrekt absurd. Het draait alleen om Jezus en om niets en niemand anders. Om deel te zijn van Gods plan moeten wij in Hem zijn. De gemeente van Jezus Christus is het zaad, ofwel het nageslacht van Abraham, voor de Joden geldt dus geen uitzondering.
Galaten 4:1-6
1Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, al is hij ook eigenaar van alles; 2maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was. 3Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. 4Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, 5om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.
6En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader.
Paulus gaat hier weer naar de analogie van de erfenis terug en laat zien dat Israël, aangegeven met de term ‘wij’, onder het oude verbond gezien moet worden als onmondig, dus nog niet volwassen genoeg om de beloofde erfenis in ontvangst te nemen. Onder het oude verbond was Israël dus niet vrij maar onderworpen, dus leefden zij nog steeds binnen een vorm van slavernij die het gevolg is van de zondeval. Verderop in dit hoofdstuk gaat Paulus hier dieper op in. Om vrij te zijn moesten zij wachten op de komst van de Messias, de Zoon van God. Pas bij Zijn komst ontvangen zij het recht op het zoonschap, niet eerder.
Uit de gebruikte term ‘gij’ in vers 6 is af te leiden dat dit beloofde zoonschap niet alleen voor de Joden is, maar voor de gemeente in zijn geheel, Jood en heiden samen. Dit zoonschap is dus niet gekoppeld aan afkomst, maar aan het ontvangen van de Geest:
15En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons. 16En ik herinnerde mij het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden. 17Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?
(Handelingen 11:15-17)
Dat wordt bevestigd in dit gedeelte uit Handelingen waar duidelijk blijkt dat bij de uitstorting van Gods Geest geen uitzondering wordt gemaakt, de heidenen in het huis van Cornelius ontvangen de gave van de Geest op ‘volkomen gelijke wijze’. Dus hebben zij ook op volkomen gelijke wijze deel aan het zoonschap.
Galaten 4:6-11
6En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. 7Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.
8Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn. 9Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weder van meet aan dienstbaar wilt maken? 10Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar. 11Ik vrees, dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen heb.
Het zijn van erfgenaam is dus niet gekoppeld aan fysieke afkomst, waar alleen Joden zich op zouden kunnen beroepen, maar aan het feit dat we al of niet de Geest ontvangen hebben, en daarbij is kennelijk geen onderscheid te maken op basis van etniciteit.
Paulus gaat vervolgens verder met het aanspreken van de heidenen in de gemeente: “Ooit hebben jullie goden gediend”, maar deze heidenen hebben God leren kennen, zonder tussenkomst van de voorschriften of ceremoniën van het oude testament.
De term ‘wereldgeesten wordt niet alleen hier gebruikt , maar Paulus bedient zich er ook van in zijn brief aan de Kolossenzen, eerst maar even de teksten:
8Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus,
(Kolossenzen 2:8)
20Indien gij met Christus afgestorven zijt aan de wereldgeesten, waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen: 21raak niet, smaak niet, roer niet aan; 22dat alles zijn dingen, die door het gebruik teloorgaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen. 23Dit toch is, al staat het in een roep van wijsheid met zijn eigendunkelijke godsdienst, zijn nederigheid en zijn kastijding van het lichaam, zonder enige waarde (en dient slechts) tot bevrediging van het vlees.
(Kolossenzen 2:20-23)
De term wereldgeesten wordt in de grondtekst weergegeven als elementen of rudimenten van de kosmos of harmonieuze wereldorde, te vergelijken met Gods scheppingsorde. Bedoeld wordt hier in deze context de manier waarop de Joden Gods orde interpreteerden, niet op grond van de bijbel, maar in vers 8 op grond van hun overleveringen, en in vers 20-23 de strikte manier waarop de Joden invulling gaven hieraan. Paulus gebruikt deze term dus ook in Galaten 4 en brengt dit in verband met het naleven van oudtestamentische regels, ”Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar”, die kennelijk onder het nieuwe verbond niet meer van toepassing zijn. Kennelijk staat de jonge gemeente onder druk om Joodse tradities, zoals besnijdenis en kalenders, in acht te nemen. Als Paulus vervolgens aangeeft dat hij wellicht zich voor niets heeft ingespannen, dan geeft Paulus uitdrukkelijk aan dat het introduceren van dit soort Joodse tradities, niet alleen onwenselijk is, maar ronduit gevaarlijk zoals ook later zal blijken in relatie tot de besnijdenis, dat als je gemotiveerd door deze zaken je laat besnijden dat dat dan gaat ten koste van je heil.
2Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen.
(Galaten 5:2)
Ook vandaag de dag staat de gemeente van Jezus Christus weer erg onder druk om heel veel Joodse tradities te willen introduceren, zaken zoals de bijbelse feesten en de sabbat en soms zelfs de besnijdenis, omdat we zo onder de indruk kunnen raken van die prachtige symboliek eromheen. Echter deze gebruiken zijn onderdeel van het onderworpen zijn aan de wereldgeesten, die ons zicht op onze vrijheid in Christus totaal vertroebelen, met als gevolg dat Christus niet meer nuttig is voor ons. Ik kan hierin enkel de invloed vanuit het rijk der duisternis herkennen, die er op uit is om ons getuigenis in de wereld ernstig te ondermijnen.
Dank zij de komst van Jezus zijn wij vrij en niet meer gebonden aan dit soort regels. De wet en al haar bepalingen heeft nut gehad, echter dat was alleen bedoeld om ons te brengen bij Jezus. Nog een keer terug naar de brief aan de Kolossenzen:
16Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, 17dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is.
(Kolossenzen 2:16-17)
Jezus Christus is de belichaming van die zaken waar de schaduw een soort vooruitblik op geeft. De ceremoniën rondom de tempeldienst wijzen naar Jezus, zij zijn een soort reflectie. Nu Jezus eenmaal gekomen is hebben wij dit niet meer nodig, wij hebben de Geest van God ontvangen, Hij openbaart ons de realiteit en de diepte van zaken waar de ceremoniën slechts een glimp van kunnen weergeven.
Galaten 4:21-31
21Zegt mij, gij, die onder de wet wilt staan, luistert gij niet naar de wet? 22Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar. 25Het (woord) Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder. 27Want er staat geschreven:
Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft.
28En gij, broeders, zijt, evenals Isaak, kinderen der belofte. 29Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu. 30Maar wat zegt het schriftwoord? Zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der vrije. 31Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van de vrije.
In dit gedeelte worden we geconfronteerd met de controverse tussen het aardse Jeruzalem, gekoppeld aan het oude verbond, en het hemelse Jeruzalem verbonden met het nieuwe verbond. Paulus grijpt hier terug op de geschiedenis van Abraham beschreven in het boek Genesis. Hij gebruikt Ismael en Isaak, en hoe die zich tot elkaar verhouden om te laten zien wat de diepte is van het verschil tussen het oude verbond en de wet aan de ene kant, en Jezus en het nieuwe verbond aan de andere kant. We kunnen lezen dat Abraham, nadat Isaak geboren is door God verplicht wordt om Ismael, samen met zijn moeder de deur uit te sturen. De beloften en de daaraan gekoppelde erfenis zijn alleen bestemd voor Isaak. Door deze analogie te gebruiken wil Paulus ons duidelijk maken dat we alles wat te maken heeft met de fysieke realiteit van het oude verbond de deur uit moeten zetten, omdat alleen de geestelijke realiteit van het nieuwe verbond er nog toe doet. Het oude Jeruzalem, wat toen nog stond, toen Paulus deze brief schreef, is verbonden met de oudtestamentische realiteit die slaven baart, wij zijn verbonden met het hemelse Jeruzalem waar vrijheid is. In de brief aan de Hebreeën onderstreept Paulus dit nog een keer:
18Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, 19tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; 20want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd. 21En zó ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving. 22Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, 23en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, 24en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.
(Hebreeën 12:18-24)
Het oude Jeruzalem met haar tempel wat nog bestond ten tijde dat Paulus deze brief schreef is in het jaar 70 totaal verwoest. Jezus voorspelt dit als Hij bij de intocht in Jeruzalem de stad ziet en er over huilt:
41En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 43Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen 44en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.
(Lucas 19:41-44)
God zelf is dus verantwoordelijk geweest voor de vernietiging van Jeruzalem. Geschiedkundigen uit die tijd, zoals Flavius Josephus, geven dan ook aan dat er nadat Titus en zijn Romeinse leger klaar waren, van de stad letterlijk geen steen meer op de andere stond. Het huidige Jeruzalem is herbouwd door keizer Hadrianus rond 130 na Christus, de muren van de stad zijn pas herbouwd door sultan Süleyman I tussen 1537 en 1541 van onze jaartelling. Van de toenmalige stad Jeruzalem is dus niets over, hooguit de Klaagmuur, en zelfs dat wordt door sommigen betwijfeld. Als Paulus in die tijd al aangeeft dat Jeruzalem er niet meer toe doet, hoeveel te meer het huidige Jeruzalem. Binnen het nieuwe verbond zijn wij verbonden aan het hemelse Jeruzalem, in Openbaring 21 de Bruid van Christus genoemd.
Galaten 5:1-12
1Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen.
2Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen. 3Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen. 4Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij. 5Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen. 6Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.
7Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de waarheid niet meer gehoorzaamt? 8Die overreding kwam niet van Hem, die u roept. 9Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. 10Ik voor mij ben van u overtuigd in de Here, dat gij geen andere mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zij.
11Wat mij echter betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is immers het aanstotelijke van het kruis van kracht beroofd. 12Zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten!
Als wij menen dat wij ons weer aan dit soort wetten moeten houden, zoals de besnijdenis, dan plaatsen wij ons opnieuw onder de wet en zijn dan ook verplicht deze tot de laatste punt en komma na te leven. We plaatsen onszelf daarmee buiten de genade, Christus en alles waar Hij voor staat is ons niet meer van nut. In Christus verwachten wij door de Geest van God, die wij ontvingen toen wij tot geloof kwamen, gerechtvaardigd te worden. Besnijdenis, dat geldt ook voor de overige Joodse tradities, werkt voor ons niets meer uit. Deze Joodse traditie wordt door Paulus vergeleken met zuurdeeg, een klein beetje er bijgedaan gaat langzaam maar zeker alles doortrekken. Het omarmen van Joodse traditie is een soort sluipmoordenaar die langzaam maar zeker het leven uit ons bestaan weg zal drukken. Het begint klein, maar eindigt groot.
Een van de redenen waarom toen de druk erop stond was de druk van vervolging vanuit het Jodendom. Joden ergeren zich bont en blauw aan de nieuwtestamentische benadering of zoals het hier staat, zij nemen er aanstoot aan.
60Vele dan van zijn discipelen hoorden dit en zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? 61Jezus nu wist bij Zichzelf, dat zijn discipelen hierover morden, en Hij zeide tot hen: Geeft u dit aanstoot? 62Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? 63De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven. 64Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven.
(Johannes 6:60-64)
De woorden die Jezus spreekt zijn ‘Geest en leven”. De Joden toen in Johannes 6 namen daar dusdanig aanstoot aan dat velen, laten we zeggen de overgrote meerderheid, vertrok en niet langer bij Jezus wilden horen. In de evangeliën wordt op diverse plaatsten beschreven hoe de Joodse leiders Jezus wilden vermoorden vanwege het feit dat Hij niet paste in hun concept van het Koninkrijk van God en ook nog hun positie in gevaar bracht. De druk op de vroege kerk had dus te maken met deze leiders die hen ertoe wilde bewegen afscheid te nemen van specifiek die aspecten waar deze Joden aanstoot aan namen. Jezus zien als een profeet is nog tot daaraan toe, maar Hem zien als Zoon van God, wordt door hen beleefd als godslastering:
62En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U? 63Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. 64Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. 65Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? 66Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig.
(Mattheus 26:62-66)
Galaten 6:7-8
7Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8Want wie op (de akker van) zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op (de akker van) de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.
Galaten 6:12-16
12Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus [Jezus]. 13Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen. 14Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld. 15Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is. 16En allen, die zich naar die regel zullen richten – vrede en barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël Gods.
Als wij roemen op het kruis van onze Here Jezus Christus, dan hebben wij alles wat er te hebben valt. Het opnieuw introduceren van Joods gedachtegoed, zoals besnijdenis en de diverse feesten, maar ook het lyrisch worden van de stad Jeruzalem en de huidige staat Israël wordt door Paulus vergeleken met zaaien op het vlees, met als gevolg dat we verderf oogsten. Willen we uit de Geest eeuwig leven oogsten, zullen wij uitsluitend moeten zaaien op de akker van de Geest.
Ander evangelie
Wij zijn begonnen met de waarschuwing van Paulus voor een ander evangelie en dat dit evangelie gepaard gaat met het feit dat we beroofd worden van de zegeningen van God die verbonden zijn met het evangelie van Jezus Christus. Paulus waarschuwt ons en legt in deze brief ook uit wat de bron van deze misleiding is, namelijk het toenmalige Jodendom. Hij spreekt zelfs over valse broeders, mensen die zich voordoen als christen, maar het ten diepste niet zijn. In Galaten 2 vinden we een opmerking van Paulus, die bij ons alle alarmbellen zou moeten laten rinkelen:
4en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen. 5Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven.
(Galaten 2:4-5)
We moeten ons realiseren, dat net zoals destijds, ook vandaag de duivel er op uit is om ons te beroven van onze vrijheid in Christus en ons weer onder een soort slavenjuk te brengen. Hij schroomt daarbij niet om zichzelf voor te doen als een boodschapper van het licht, en dat geldt ook voor zijn kornuiten. Wij mogen net als Paulus deze druk geen ogenblik gedwee uit de weg gaan, zodat de waarheid van het evangelie hoe dan ook overeind blijft. Er is maar één evangelie en dat is het evangelie van Jezus Christus dat ook door Paulus en de overige apostelen verkondigd is. Alles wat daarvan afwijkt, of het nu te maken heeft met een andere Jezus in plaats van de vleesgeworden Zoon van God, of dat het gaat om een andere geest in plaats van de Heilige Geest, of ook dat het gaat over een ander evangelie wat niet het nieuwe testament maar de joodse traditie als bron heeft, al deze dingen brengen het ANATHEMA van hoofdstuk 1 met zich mee. In plaats van de beloofde zegen, komen we onder de vloek terecht.
Ik wil eindigen zoals Paulus de brief eindigt:
18De genade van onze Here Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.
(Galaten 6:18)

